Onderscheid in beloning ook aan boord niet toegestaan
Onderscheid maken in de beloning van werknemers op grond van nationaliteit en ras, mag over het algemeen niet. Dit ging echter tóch mis bij twee buitenlandse zeevaarders op Nederlandse schepen, terwijl ongelijke beloning jarenlang ‘normaal’ was aan boord.
Het College voor de Rechten van de Mens oordeelde onlangs in een zaak van een Filipijnse en Indonesische zeevaarder die werkten op Nederlandse schepen in internationale wateren. Beide mannen werden aanzienlijk lager betaald dan hun Europese collega’s aan boord, vanwege hun woonland.
De cao voor de Handelsvaart
Deze situatie ontstond op basis van de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) voor de Handelsvaart, waarin staat dat onder andere zeevaarders die wonen in de Filipijnen en Indonesië niet worden beloond volgens deze cao, maar naar de maatstaven van hun woonland. De werkgevers pasten dit woonlandbeginsel toe. De zeevaarders vonden echter dat zij hierdoor bij de beloning werden gediscrimineerd op grond van nationaliteit en ras.
In 1997 oordeelde de Commissie Gelijke behandeling (CGB), de voorganger van het College, dat het woonlandbeginsel uit de cao niet in strijd was met de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). Inmiddels, bijna dertig jaar later, is de situatie echter wel anders en oordeelde het College opnieuw en ditmaal anders.
Vergelijkbare gevallen
Bij de beoordeling van het College stonden een aantal vragen centraal, waaronder de vraag of sprake was van ‘gelijke of vergelijkbare gevallen’. Met andere woorden: of de situatie van de twee zeevaarders vergelijkbaar was met die van collega’s. Een beroep doen op de bescherming van de AWGB slaagt namelijk alleen als hier sprake van is. De werkgevers vonden dat de situatie van de zeevaarders niet vergelijkbaar was, maar het College wees dit af. Er was wel degelijk sprake van vergelijkbare gevallen.
Objectieve rechtvaardiging ontbrak
Vervolgens speelde de vraag of sprake was van (in)direct onderscheid tussen de twee zeevaarders in kwestie en hun collega’s, en of dit onderscheid toegestaan was op basis van een ongeschreven regel van het internationaal recht of op basis van objectieve rechtvaardiging. Bij de Filipijnse zeevaarder was inderdaad sprake van indirect onderscheid, en bij de Indonesische man van direct onderscheid. Het onderscheid was echter niet gebaseerd op een ongeschreven regel van internationaal recht en van een objectieve rechtvaardiging was ook geen sprake.
Het College gaf de twee zeevaarders dan ook gelijk. Het eindoordeel luidde dat de Indonesische zeevaarder inderdaad werd benadeeld op grond van nationaliteit en de Filipijnse zeevaarder op grond van zowel nationaliteit als ras.
Het College voor de Rechten van de Mens, 18 augustus 2025, oordeelnummer: 75