U bent hier

Onderneming & Personeel
Geen vakantieopbouw na einde loondoorbetalingsplicht

Geen vakantieopbouw na einde loondoorbetalingsplicht

Onlangs oordeelde Rechtbank Noord-Nederland dat een werknemer met een slapend dienstverband géén vakantiedagen opbouwt. De rechterlijke macht is verdeeld over dit onderwerp, wat het voor werkgevers lastig maakt om juist te handelen.

Een langdurig arbeidsongeschikte werknemer kreeg ruim een half jaar na het verstrijken van de loondoorbetalingsplicht van 104 weken van zijn werkgever een vaststellingsovereenkomst aangeboden. Hij ging hiermee akkoord, maar bedacht zich nog vóór er aan alle voorwaarden in de overeenkomst was voldaan. Reden voor de ommezwaai was dat de werknemer als het ware door zijn werkgever was overgenomen bij de aankoop van een orderportefeuille, waardoor er volgens de werknemer sprake was van opvolgend werkgeverschap (artikel) en hij dus recht had op een hogere transitievergoeding dan in de vaststellingsovereenkomst stond. De werkgever meende dat de werknemer zich te laat bedacht had. Uiteindelijk kreeg de werkgever een ontslagvergunning van UWV wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

Werknemer had zich op tijd bedacht

De werknemer stapte vervolgens naar de kantonrechter. Naast een transitievergoeding op basis van zijn laatste twee dienstverbanden vorderde hij van zijn werkgever uitbetaling van niet genoten vakantiedagen, onder meer over het half jaar dat zijn dienstverband ‘slapend’ was (infographic). De kantonrechter oordeelde dat de werknemer ervan uit mocht gaan dat de vaststellingsovereenkomst pas tot stand was gekomen ná het vervullen van de voorwaarden, niet al op het moment dat er overeenstemming was bereikt over de voorwaarden. De werknemer had de vaststellingsovereenkomst daardoor binnen de wettelijke bedenktermijn van 14 dagen ontbonden. Omdat er ook sprake was van opvolgend werkgeverschap, kreeg de werknemer een transitievergoeding van bijna € 23.000 toegewezen.

Slapende werknemer hoeft niet uit te rusten

Tot dusver geen opmerkelijke uitspraak. De rechter oordeelde echter ook dat een werknemer met een slapend dienstverband géén vakantiedagen opbouwt. Hierbij verwees de rechter naar de EU-arbeidstijdenrichtlijn, die Nederland als lidstaat van de Europese Unie (EU) moet volgen (artikel). Hierin staat dat alle werknemers jaarlijks recht hebben op minstens vier weken vakantie met behoud van loon. Maar omdat er bij een slapend dienstverband geen recht op loon bestaat, kan er dus ook geen sprake zijn van behoud van loon. Daarnaast volgt uit de Arbeidstijdenrichtlijn dat vakantie met behoud van loon bedoeld is om uit te rusten van het werk, maar heeft een slapende werknemer geen werk verricht. Tot slot kan een slapende werknemer vaak terugvallen op een WIA-uitkering, waardoor hij in feite voorzien is van vakantie met behoud van ‘loon’ (in dit geval een uitkering), aldus de rechter.

Rechters niet eenduidig over vakantieopbouw

In de recente Nederlandse rechtspraak trekken de rechters geen eenduidige lijn als het over vakantieopbouw na twee jaar ziekte gaat. Eerder dit jaar oordeelde Rechtbank Gelderland bijvoorbeeld juist dat een zieke werknemer ook vakantiedagen opbouwt tijdens een slapend dienstverband, al was het demissionaire kabinet het daar niet mee eens. De verschillende interpretaties van het recht maken het lastig voor werkgevers om het juiste te doen. Werkgevers doen er dan ook goed aan om zich in een dergelijk geval juridisch goed te laten informeren (artikel), omdat de financiële gevolgen aanzienlijk kunnen zijn.
Rechtbank Noord-Nederland, 19 december 2025, ECLI (verkort): 5517