Werkgever kon fiscale fout niet op werknemer afwentelen
Als een werkgever een vergoeding voor werkelijke huisvestingskosten geeft naast de expatregeling, kan dat niet zomaar onbelast. Als de werkgever door deze fiscale misser eenzijdig besluit met die vergoeding te stoppen, kan dan ook niet zomaar. Dat blijkt uit een uitspraak van Rechtbank Noord-Holland.
De combinatie van de expatregeling (voorheen: 30%-regeling) met een netto vergoeding van werkelijke (huisvestings)kosten is niet toegestaan. Per kalenderjaar moet de werkgever in het eerste loontijdvak een keuze maken tussen de forfaitaire expatregeling óf vergoeding van werkelijke extraterritoriale kosten. Bij de werkgever in een recente zaak bij Rechtbank Noord-Holland was dit blijkbaar niet bekend. Aan een werknemer die voor haar baan naar Nederland was verhuisd, gaf de werkgever naast de 30%-regeling ook een netto vergoeding voor de huur en vaste lasten van haar woning.
Geen werkelijke kostenvergoeding naast expatregeling
Nadat de accountant van de werkgever de fout constateerde, werden de loonstroken over 2024 gecorrigeerd en legde de Belastingdienst naheffingsaanslagen op. Per 1 januari 2025 stopte de werkgever met de 30%-regeling, zodat de netto huiskostenvergoeding kon doorlopen. De werknemer protesteerde echter tegen het stopzetten van de 30%-regeling. De werkgever zette door en stopte ook de huisvestingskostenvergoeding per 1 maart. Bij de kantonrechter eiste de werknemer dat ze (naast de 30%-regeling) een bruto vergoeding kreeg die de werkelijke huisvestingskosten zou dekken. De vraag was of ze daarop recht had. Volgens de rechter was dat inderdaad het geval.
Vergoeding van huisvestingskosten was arbeidsvoorwaarde
Bij de behandeling van de zaak bleek dat de werkgever in het eerste voorstel van arbeidsvoorwaarden al expliciet had opgenomen dat hij de huisvesting zou betalen. Zo is het ook jarenlang gegaan, ook al stond het later niet letterlijk in de arbeidsovereenkomst (artikel). Uit niets bleek dat de werkgever deze afspraak had gekoppeld aan fiscale regelgeving of voorwaarden. De huisvestingsvergoeding moest dan ook worden gezien als arbeidsvoorwaarde.
Werkgever mocht arbeidsvoorwaarde niet eenzijdig wijzigen
De werknemer had nooit ingestemd met stopzetting van de huisvestingsvergoeding. Ze bleef begin 2025 juist bij haar werkgever aandringen op compensatie hiervoor.. De rechter concludeerde dat de werkgever de arbeidsvoorwaarde niet eenzijdig mocht stopzetten. In de arbeidsovereenkomst was wel een eenzijdig wijzigingsbeding (tool) opgenomen, maar de hogere kosten van brutering leverden de werkgever geen zodanig zwaarwichtig belang op dat het belang van de werknemer moest wijken. De werknemer ging er door het vervallen van de vergoeding financieel wél substantieel op achteruit, aldus de rechter. Hij oordeelde dat de werknemer recht had op (een structurele brutering van) de overeengekomen huisvestingsvergoeding tot aan het einde van haar dienstbetrekking.
Rechtbank Noord-Holland, 18 december 2025, ECLI (verkort): 15043