Rechtbank ziet geen probleem in 'villabelasting'
Een woningbezitter met een klacht over het hoge eigenwoningforfait heeft opnieuw nul op het rekest gekregen bij de rechter. De rechtbank oordeelt dat de hogere aanslag voor duurdere huizen juridisch door de beugel kan.
Een belastingplichtige met een eigen woning moet voor de inkomstenbelasting een bedrag optellen bij het inkomen: het eigenwoningforfait. Dit forfait is gebaseerd op de WOZ-waarde van de woning. Voor de grootste groep huizen is het eigenwoningforfait 0,35% in 2026 (en eigenlijk al jarenlang). Dit percentage geldt namelijk voor woningen met een WOZ-waarde tussen de € 75.000 en € 1.350.000. Boven die grens moet de huizenbezitter een bedrag van € 4.725 plus 2,35% van de WOZ-waarde boven de € 1.350.000 bij het inkomen tellen. Deze ondergrens is de afgelopen jaren geleidelijk omhooggegaan, van bijvoorbeeld € 1.110.000 in 2021 naar € 1.350.000 nu.
In strijd met Europese grondrechten?
Op het hoge percentage voor woningen met een hoge WOZ-waarde - door critici ook wel aangeduid als 'villabelasting' - klinkt al langer kritiek. Want door de stijgende huizenprijzen zouden steeds meer huiseigenaren onder het 2,35%-tarief vallen. En in het licht van de bezwaren van de Hoge Raad tegen de forfaits in de heffing in box 3 van de inkomstenbelasting is de vraag gesteld: is het hoge eigenwoningforfait wel rechtvaardig?
Dat was ook de kern van een zaak waar de rechtbank in Den Haag zich over moest buigen. Een belastingplichtige vocht de aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2023 aan. Daarin was het eigenwoningforfait berekend op basis van een WOZ-waarde van de woning van € 1.683.000. Dat kwam uit op 0,35% voor de waarde tot € 1.200.000 (de grens voor 2023), plus 2,35% over de € 483.000 boven die grens. De belastingplichtige voerde onder meer aan dat dit onderscheid in strijd was met Europese grondrechten. Het lage percentage moest daarom voor de volledige WOZ-waarde gelden.
Rechtbank oordeelt dat forfait mag
De rechtbank zag het echter anders. De Europese richtlijnen schrijven weliswaar voor dat de wetgever een 'fair balance' moet behouden tussen de belangen van het individu en het algemene belang, maar wat de rechter betreft had de wetgever de 'hem toekomende ruime beoordelingsmarge' in dit geval niet overschreden. De rechtbank wees erop dat de wetgever er bewust voor had gekozen om bij duurdere woningen meer gewicht toe te kennen aan het beleggingsaspect. Ook woog mee dat het hogere percentage alleen geldt voor het gedeelte van de WOZ-waarde boven een bepaalde grens, en niet voor de volledige waarde. Al met al oordeelde de rechter dus dat de wetgever de heffing op deze manier mocht inrichten. Net als het gerechtshof eerder in een andere zaak, concludeerde de rechtbank dus dat de aanslag in stand kon blijven.
Rechtbank Den Haag, 5 januari 2026 (publicatiedatum 21 januari 2026), ECLI (verkort): 523