Geen aftrek van verlies voor bv na een onzakelijke lening
Een lening aan een gelieerde vennootschap lijkt al snel een zakelijke financiering binnen het concern. Maar kleeft er een hoog risico aan en wordt de lening als onzakelijk aangemerkt, dan kan dat fiscaal zuur uitpakken. Bij een onzakelijke lening mag het bedrag van afwaardering namelijk niet in aftrek worden gebracht van de winst. Dat blijkt weer eens uit een recente uitspraak van Rechtbank Gelderland.
Van een onzakelijke lening (artikel) is sprake als een bv een debiteurenrisico aanvaardt dat een onafhankelijke derde niet zou nemen (ook niet tegen een hogere rente). Het gaat dan bijvoorbeeld om het ontbreken van zekerheden, een structureel zwakke vermogenspositie van de debiteur of een financiering zonder reële terugbetalingsverwachting. Wordt zo’n lening afgewaardeerd, dan blijft het verlies fiscaal voor rekening van de aandeelhouder en kan het niet ten laste van de winst van de bv worden gebracht. In onderstaande zaak speelde precies deze vraag.
Afwaardering grotendeels geweigerd
Het ging in deze zaak om een fiscale eenheid met een moeder-bv en een dochtermaatschappij, die samen deel uitmaakten van een gokconcern. Binnen het concern leende de dochter geld uit aan een gelieerde vennootschap op Malta. Toen bleek dat (een deel van) die lening waarschijnlijk niet zou worden terugbetaald, werd in de VPB-aangifte 2019 een afwaardering van € 267.017 ten laste van de winst gebracht. Van deze afwaardering erkende de Belastingdienst slechts een klein deel (namelijk € 28.928). Het resterende bedrag werd afgewezen omdat de lening volgens de inspecteur onzakelijk was. De bv ging in beroep.
Hoog risico, geen garanties
De rechtbank was het echter met het standpunt van de inspecteur eens. Er waren geen garanties of zekerheden afgesproken om het uitgeleende geld veilig te stellen, terwijl de debiteur volledig met vreemd vermogen was gefinancierd en vanaf het begin een negatieve solvabiliteit had. Daarnaast kwamen de opbrengsten uit de activiteiten niet ten goede aan de uitlenende bv. Daarmee liep zij dus een debiteurenrisico dat zo groot was dat geen onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest onder vergelijkbare voorwaarden te financieren. Het beroep van de bv werd daarom ongegrond verklaard.
Rechtbank Gelderland 10 juli 2025, ECLI (verkort) 5461