Dga kan niet onder topsalaris in eigen bv duiken
Een bv kan het salaris van haar directeur-grootaandeelhouder (dga) niet zo maar lager vaststellen dan het hoogste loon binnen de onderneming. Dat blijkt wederom uit een recente uitspraak van Rechtbank Den Haag.
De gebruikelijkloonregeling laat weinig ruimte voor vrije invulling. Als binnen de bv of een verbonden lichaam een werknemer méér verdient dan de dga, vormt dat loon in principe het uitgangspunt. Kan de bv niet onderbouwen dat een lager bedrag passend is bij de meest vergelijkbare dienstbetrekking, dan grijpt de fiscus in, met naheffingen en boetes als mogelijk gevolg. Die situatie stond in een recente zaak centraal.
Naheffingsaanslagen en verzuimboetes alom
Een dga werkte via zijn bv voor een administratiekantoor waarin de bv een meerderheidsbelang van 55% hield. De bv trad daar ook op als medebestuurder. De overige aandelen waren (indirect) in handen van drie werknemers, van wie één een belang van 25% had. Voor de jaren 2021 tot en met 2023 kende de bv de dga een salaris toe van rond de € 81.000 per jaar. Na een boekenonderzoek vond de inspecteur dat bedrag echter veel te laag en stelde het gebruikelijk loon vast op bedragen van € 94.000 tot € 96.000, aansluitend bij het salaris van de best verdienende werknemer binnen het administratiekantoor. Over het verschil legde hij naheffingsaanslagen op, met daarbij een hoop verzuimboetes.
Hoogste loon als maatstaf
Centraal stond de vraag of het hogere loon terecht als uitgangspunt was genomen. De rechtbank wees op artikel 12a Wet LB 1964: het loon van een dga wordt ten minste gesteld op het hoogste loon van werknemers van de bv of van een verbonden lichaam. Daarmee mocht de inspecteur aanknopen bij het salaris van de meest verdienende werknemer. Vervolgens is het dan aan de bv om aannemelijk te maken dat dit bedrag niet overeenkomt met wat in een vergelijkbare dienstbetrekking gebruikelijk is.
Onderbouwing schoot tekort
De bv verwees naar een eigen salarisonderzoek waaruit een lagere bandbreedte voor een algemeen directeur zou volgen. Volgens de rechtbank bood dat echter onvoldoende houvast. Daarbij speelde mee dat de dga meer dan dertig jaar ervaring had, structureel lange werkweken maakte en samen met een andere aandeelhouder eindverantwoordelijk was voor beleid, personeel, klanten en fiscale verplichtingen. Ook benadrukte de rechtbank dat voor de gebruikelijkloonregeling het volledige jaarloon inclusief alle looncomponenten bepalend is. De onderbouwing van de bv schoot dus tekort.
Correcties bleven overeind
Omdat de bv niet aannemelijk maakte dat een lager loon passend was (toolbox), bleven de correcties over 2021, 2022 en 2023 overeind. Daarnaast legde de inspecteur per jaar een verzuimboete op van 10% van de nageheven loonheffingen. Volgens de rechtbank was geen sprake van een pleitbaar standpunt of van afwezigheid van alle schuld. De boetes werden daarom 'passend en geboden' geacht.
Rechtbank Den Haag 24 december 2025, ECLI (verkort) 27512