U bent hier

Onderneming & Fiscus
Combinatie van wetsvoorstellen tegen schijnzelfstandigheid

Combinatie van wetsvoorstellen tegen schijnzelfstandigheid

Het kabinet schrapt het deel van het voorstel voor de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (WVBAR) dat moet verduidelijken wanneer iemand als zzp’er werkt of als werknemer. Dat maakt de weg vrij voor het voorstel voor de Zelfstandigenwet.

Het kabinetsvoornemen om de WVBAR en de Zelfstandigenwet te combineren werd al aangekondigd in het Coalitieakkoord 2026-2030. Van de WVBAR blijft alleen het rechtsvermoeden van werknemerschap behouden. Dit rechtsvermoeden houdt in dat als een zzp’er minder dan € 38 per uur verdient (peildatum 1 januari 2026), hij verondersteld wordt een werknemer te zijn. Doet een zzp’er een beroep op dit rechtsvermoeden, dan is het aan de opdrachtgever om te bewijzen dat er géén sprake is van schijnzelfstandigheid.

Deel WVBAR zorgt voor te veel onrust

Het toetsingskader met criteria om te bepalen wanneer iemand een zelfstandige is en wanneer een werknemer, wordt dus uit de WVBAR geschrapt. Die criteria komen uit het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad. Dit verduidelijkingsdeel van de WVBAR zorgt voor te veel onrust, aldus minister Aartsen van Werk en Participatie. Hierdoor is er angst ontstaan om als of met (een) zzp’er te werken, terwijl deze samenwerkingsvorm gewoon mogelijk is – als het goed geregeld is en uitgevoerd wordt. De Belastingdienst past de criteria toe bij de handhaving op schijnzelfstandigheid (artikel), dus opdrachtgevers doen er goed aan om de samenwerking met zzp’ers tot nader orde langs de huidige juridische meetlat te (blijven) leggen.

Alle drie de toetsen zijn even belangrijk

Het schrappen van het verduidelijkingsdeel van de WVBAR maakt de weg vrij voor de Zelfstandigenwet, waarvan minister Aartsen een van de initiatiefnemers is. De Zelfstandigenwet introduceert een ander toetsingskader met hetzelfde doel: bepalen wanneer iemand als zzp’er of als werknemer werkt. Dit kader bestaat uit drie toetsen, die allemaal even belangrijk zijn:

Zelfstandigentoets
Is iemand een zelfstandig ondernemer? Daarvoor gelden de volgende voorwaarden:

  • het verrichten van werk voor eigen rekening en risico;
  • het voeren van een deugdelijke administratie;
  • het gedragen in het ‘economisch verkeer’ als zelfstandig ondernemer (denk aan actieve acquisitie, adverteren, investeringen in het bedrijf, enzovoort);
  • het treffen van een ‘adequate voorziening’ tegen het risico van arbeidsongeschiktheid;
  • het regelen van een ‘proportionele bijdrage’ voor een voorziening bij pensionering.

Werkrelatietoets
Wordt arbeid in dienst van een werkgever verricht? Dat is niet het geval als:

  • sprake is van zelfstandig ondernemerschap (zie de toets hierboven);
  • géén sprake is van hiërarchische controle;
  • sprake is van de vrijheid van organisatie van werk;
  • sprake is van de vrijheid van organisatie van de werktijd;
  • de partijen de bedoeling hebben om anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst arbeid te verrichten.

Sectorale toets
Er kan op sectorniveau een extra rechtsvermoeden van werknemerschap worden geregeld als er in die sector een verhoogd risico op schijnzelfstandigheid en uitbuiting bestaat. Er worden dan meerdere sectorale criteria opgesteld die kunnen leiden tot een vermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Dit vermoeden is mogelijk te weerleggen met criteria uit de werkrelatietoets.

Kabinet wil vaart maken met wetsvoorstellen

Het kabinet wil vaart maken met het rechtsvermoeden van werknemerschap uit de WVBAR én de Zelfstandigenwet. Minister Aartsen heeft de Tweede Kamer verzocht behandeling van eerstgenoemde – de WVBAR ligt al bij de Tweede Kamer – op korte termijn te hervatten, zodat dit onderdeel uiterlijk 31 augustus 2026 in werking kan treden.