Taakstraf voor dga die opzettelijk geen aangifte doet
Een directeur-grootaandeelhouder (dga) is strafrechtelijk veroordeeld voor het opzettelijk niet doen van belastingaangiftes. Hoewel de rechter niet het idee had dat de dga moedwillig probeerde om belasting te ontduiken, had hij zijn fiscale verplichtingen wel 'volstrekt onvoldoende prioriteit' gegeven.
Een ondernemer die een keer wat te laat is met de aangifte, krijgt meestal alleen te maken met een naheffingsaanslag of navorderingsaanslag, of een boete. Maar als de Belastingdienst vermoedt dat er opzet in het spel is, kan de fiscus ook de strafrechtelijke weg bewandelen. Het opzettelijk niet doen van een volgens de wet verplichte aangifte (of daar als bestuurder feitelijk leiding aan geven) is namelijk een misdrijf volgens de Algemene wet rijksbelastingen. Dat kan bij veroordeling dus leiden tot boetes en een gevangenisstraf. Wel zal de Belastingdienst dus de rechter ervan moeten overtuigen dat er willens en wetens geen aangifte is gedaan.
Aangiftes niet ingediend
In deze strafzaak ging het om een dga met een bv. Die bv vormde een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (VPB) met 11 dochterondernemingen. Ondanks dat de fiscale eenheid belastingplichtig was voor de VPB, werden er in de jaren 2018, 2020 en 2021 geen VPB-aangiftes ingediend. Ook deed de dga zijn eigen aangifte inkomstenbelasting 2019 niet.
Volgens de verdediging was dit niet opzettelijk gebeurd, maar de rechtbank dacht daar anders over. Uit allerlei omstandigheden bleek namelijk dat de bv te weinig actie had ondernomen om de VPB-aangiftes in te dienen. Zo stapte de bv in 2022 over naar een ander accountantskantoor, maar stelde de nieuwe accountant er niet van op de hoogte dat de VPB-aangiftes over 2018, 2020 en 2021 nog ingediend moesten worden. Ook niet toen de bv herinneringen en aanmaningen kreeg over die openstaande aangiftes.
Aansprakelijk voor strafbare feiten
Al met al was er sprake van voorwaardelijke opzet bij de bv. Als bestuurder en enig eigenaar was de dga verantwoordelijk voor de gang van zaken binnen de onderneming. En uit de stukken concludeerde de rechtbank dat de dga 'ook in de praktijk nauw betrokken was bij de fiscale aangelegenheden' van de bv. Daarom oordeelde de rechter dat de dga als 'feitelijk leidinggever' ook aansprakelijk was voor de strafbare feiten die de bv had gepleegd.
Ook bij het niet indienen van de aangifte inkomstenbelasting was er volgens de rechter opzet in het spel. De dga voerde aan dat hij dacht dat er een uitstelregeling was, en dat de accountant of de financieel directeur de aangifte zou doen. Maar volgens de rechter had hij daar niet op mogen vertrouwen. Ook op dit punt werd de dga dus schuldig bevonden. Uiteindelijk legde de fiscus voor de jaren 2018, 2020 en 2021 VPB-aanslagen op van in totaal ruim € 561.000. De aanslag inkomstenbelasting over 2019 kwam uit op ruim € 294.000.
Taakstraf van 150 uur
In het eindoordeel schreef de rechtbank dat zij niet de indruk had dat de verdachte moedwillig probeerde om belasting te ontduiken. Maar uit zijn handelen - of eigenlijk het gebrek daaraan - bleek volgens de rechter wel dat hij zijn eigen fiscale verplichtingen en die van de bv veel te weinig prioriteit had gegeven. De dga wees weliswaar naar zijn accountants en de financieel directeur, maar had volgens de rechtbank zelf veel meer moeten doen om te zorgen dat de aangiftes daadwerkelijk werden ingediend. Bij het bepalen van de strafmaat woog de rechtbank nog wel mee dat de verdachte inmiddels alsnog aan zijn aangifteverplichtingen had voldaan. Ook nam de rechtbank in aanmerking dat de bv in een aparte zaak werd veroordeeld tot een geldboete van € 25.000. Al met al werd de dga veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.
Rechtbank Amsterdam, 5 maart 2026, ECLI (verkort): 2274 en 2275