Belastingrente van 4% is niet onevenredig
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een belastingrente van minimaal 4% niet onevenredig is. Maar bij het in rekening brengen van de belastingrente over een toekomstig tijdvak mocht de fiscus niet vooruitlopen op een nog niet in werking getreden renteverhoging.
De hoogte van de belastingrente, vooral die voor de vennootschapsbelasting, heeft flink onder vuur gelegen. Maar de Hoge Raad heeft op 16 januari 2026 jl. geoordeeld dat een belastingrente van 8% voor de vennootschapsbelasting (VPB) te hoog is. Er was door de Staat namelijk niet goed gemotiveerd waarom de belastingrente voor de vennootschapsbelasting (VPB) en bronbelasting hoger zou moeten zijn dan die voor andere belastingen (4%) zoals de inkomstenbelasting. Nu heeft de Hoge Raad zich ook nog uitgelaten over de hoogte van de 4%, of die wel evenredig was en over de precieze toepassing van het percentage.
Percentage van 4 gehanteerd voor herziene aangifte 2015/2016
In deze zaak diende een belastingplichtige een herziene aangifte voor de IB 2015 en ZVW 2016 met niet eerder aangegeven winst uit onderneming in. De inspecteur legde navorderingsaanslagen op. Bij de navorderingsaanslag ZVW 2016 met dagtekening 26 september 2020 bracht hij belastingrente in rekening, waarbij hij een percentage van 4% hanteerde. Dit percentage gold vanaf oktober 2020. De man diende bezwaar in omdat hij vond dat dit percentage niet mocht gelden voor de periode vóór die datum. Rechtbank Zeeland-West-Brabant en Hof Den Bosch gaven de inspecteur gelijk.
Rentepercentage van 0,01% toepassen
De Hoge Raad gaf aan dat belastingrente alleen kan worden geheven op basis van de op dat moment geldende wettelijke regeling. De toepassing van het legaliteitsbeginsel brengt met zich mee dat een verhoging van het rentepercentage niet kan worden toegepast op een periode waarin die verhoging nog niet gold. Voor de periode vóór 1 oktober 2020 ontbreekt daarom de wettelijke grondslag voor toepassing van het percentage van 4%. De inspecteur mocht dus geen 4% in rekening brengen. Voor die periode (vóór 1 oktober 2020) moest het toen geldende lage rentepercentage van 0,01 worden toegepast. De Hoge Raad verminderde daarom de belastingrente. Ons hoogste rechtsorgaan verwierp wel de stelling van de man dat het rentepercentage van 4 een inbreuk maakte op artikel 1 EP, onder verwijzing naar zijn arrest van 16 januari 2026. De rente van 4% was dus wel evenredig.
Hoge Raad, 10 april 2026, ECLI (verkort): 591