U bent hier

Onderneming & Salaris
Onderbouwing verlies cruciaal bij lager gebruikelijk loon

Onderbouwing verlies cruciaal bij lager gebruikelijk loon

Een directeur-grootaandeelhouder (dga) die zichzelf een lager loon toekent dan gebruikelijk, komt daar in de praktijk zelden mee weg. De rechtspraak hierover is inmiddels rijk gevuld; alleen met een stevige onderbouwing kan van het gebruikelijk loon worden afgeweken. In een recente uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam blijkt opnieuw hoe lastig dat is, zelfs als een bv stelt verlies te draaien.

De gebruikelijkloonregeling verplicht een dga om zichzelf een salaris toe te kennen dat ‘gebruikelijk’ is voor zijn werkzaamheden. In de praktijk betekent dit dat wordt aangesloten bij het loon van iemand zonder aanmerkelijk belang in een vergelijkbare functie. De wet kent daarnaast een minimumbedrag (€ 58.000 in 2026), dat als ondergrens fungeert. Onder deze grens duiken mag in sommige gevallen, maar alleen als de dga écht aannemelijk kan maken dat een lager loon passend is. Dat lukt vaak niet, zoals ook te lezen in onderstaande zaak.

Geen gebruikelijk loon maar wel werkzaamheden

In deze zaak ging het om een bv die zich bezighield met de verhuur van onroerend goed. De dga verrichtte daarvoor actief werkzaamheden, zoals het afsluiten van huurcontracten en het onderhandelen over verkooptransacties. Toch kende de bv hem geen gebruikelijk loon toe. De dga ontving wel loon via een payrollbedrijf. Opvallend daarbij was dat de kosten daarvan niet werden doorbelast aan de bv. Volgens de bv was er daarom geen aanleiding om daarnaast nog een gebruikelijk loon in aanmerking te nemen. Ook wees de bv op haar slechte financiële positie: er zou sprake zijn van verliezen, wat een lager loon zou rechtvaardigen. Na een boekenonderzoek dacht de Belastingdienst daar anders over. Over de jaren 2017 en 2018 werden naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd, gebaseerd op een gebruikelijk loon (op deeltijdbasis).

Verlies onvoldoende onderbouwd

Zowel de rechtbank als het hof gingen niet mee in het verweer van de bv. Dat er via een payrollconstructie loon was betaald, was volgens de rechter niet doorslaggevend. Van belang bleef dat de dga werkzaamheden verrichtte voor de bv, en dat daar in principe een gebruikelijk loon tegenover moest staan. Ook het beroep op verliezen hield geen stand. De bv kon haar financiële situatie onvoldoende onderbouwen. Uit de aangiften vennootschapsbelasting bleek dat bepaalde kostenposten vrijwel even hoog waren als de omzet. Bovendien liet de bv in latere jaren juist een hogere omzet zien. Daarmee werd een structurele verliessituatie niet aannemelijk gemaakt.

Naheffingen bleven in stand

Het hof zag dan ook geen reden om af te wijken van de door de Belastingdienst gehanteerde normbedragen (van de jaren 2017 en 2018) voor het gebruikelijk loon. De loonheffingen werden nageheven over € 5.625 voor 2017 en € 22.500 voor 2018. Daarnaast was sprake van grove schuld, waardoor ook vergrijpboetes werden opgelegd. Vanwege de lange duur van de procedure werden die boetes nog wel gematigd. Uiteindelijk kwamen deze uit op in totaal € 2.641.
Gerechtshof Amsterdam 21 oktober 2025, ECLI (verkort): 3817