U bent hier

Onderneming & Fiscus
Fiscus kan verzending aanslag niet bewijzen, meer tijd voor bezwaar

Fiscus kan verzending aanslag niet bewijzen, meer tijd voor bezwaar

Als een belastingplichtige de verzenddatum van een aanslag betwist, is het aan de fiscus om te bewijzen dat de aanslag toch echt verzonden is. Slaagt de inspecteur daar niet in, dan gaat volgens de Hoge Raad de bezwaartermijn lopen op het moment dat de belastingplichtige de aanslag onder ogen krijgt.

Een belastingplichtige heeft maximaal zes weken de tijd om een bezwaarschrift (maatwerkbrief) in te dienen tegen een aanslag of naheffings/navorderingsaanslag. Deze termijn begint te lopen vanaf de dagtekening van de aanslag, en het is een harde deadline. Is een bezwaar een dag te laat, dan mag de inspecteur het niet-ontvankelijk verklaren en hoeft de fiscus het dus niet in behandeling te nemen. Alleen als er sprake is van een 'verschoonbare termijnoverschrijding' (artikel) moet de inspecteur er alsnog naar kijken, maar dat gaat alleen op in uitzonderlijke gevallen.

Bezwaarschrift te laat binnen

In deze zaak ging het om een man die een naheffingsaanslag kreeg voor de BPM, de aanschafbelasting voor onder meer personenauto's. Die aanslag had 13 april 2023 als dagtekening, en de bezwaartermijn liep dus tot en met 25 mei 2023. Het bezwaarschrift dat de man indiende tegen de aanslag kreeg de fiscus binnen op 20 juni 2023. Te laat dus, en daarom verklaarde de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk.

Aanslag 'bij de buren bezorgd'

Ook in beroep (stappenplan) bij de rechtbank kreeg de man nul op het rekest. Volgens de rechter was het aannemelijk dat de fiscus de naheffingsaanslag voor of op 13 april had verzonden. En daarmee was het bezwaarschrift te laat ingediend. De man liet het daar niet bij zitten en ging in cassatie bij de Hoge Raad. Volgens hem was hij te laat omdat de naheffingsaanslag eerst bij de buren was bezorgd. En de buren hadden de envelop niet direct aan hem doorgegeven. Volgens de man had de rechtbank te snel aangenomen dat de inspecteur de naheffingsaanslag inderdaad rond 13 april had verstuurd.

Fiscus heeft geen verzendbewijs

Dat vond de Hoge Raad ook: als een belastingplichtige de verzenddatum betwist, is het aan de inspecteur om aan te tonen wanneer de aanslag verzonden is. Maar aan die bewijslast had de fiscus niet voldaan. Al eerder in de procedure was gebleken dat de fiscus geen verzendbewijs had van het postbedrijf, 'omdat van de verzending van naheffingsaanslagen geen registratie wordt bijgehouden'. En de inspecteur had ook geen ander bewijs geleverd voor het verzendmoment.
Daardoor stond volgens de Hoge Raad ook niet vast dat de naheffingsaanslag rond 13 april bekend was gemaakt aan de belastingplichtige. De bezwaartermijn van zes weken ging daarom pas lopen op de dag dat de belastingplichtige de aanslag onder ogen kreeg. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen voor verdere behandeling. Daarbij is dan nog wel de vraag of de belastingplichtige de rechter ervan kan overtuigen dat hij op 20 juni wél op tijd was met bezwaar maken.
Hoge Raad, 17 april 2026, ECLI (verkort): 677