U bent hier

Onderneming & Personeel
Voorstel Wet personeelsbehoud bij crisis naar Tweede Kamer

Voorstel Wet personeelsbehoud bij crisis naar Tweede Kamer

Minister Aartsen van Werk en Participatie heeft het voorstel voor de Wet personeelsbehoud bij crisis (WPC) naar de Tweede Kamer gestuurd. Dit wetsvoorstel moet voorkomen dat werkgevers in de problemen komen en werknemers hun baan verliezen in crisissituaties zoals overstromingen, pandemieën of oorlogen.

Het wetsvoorstel is goedbeschouwd een voortvloeisel van de coronapandemie. Voor deze crisis bleek de regeling werktijdverkorting (WTV) niet toereikend, waarna de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) in korte tijd uit de grond werd gestampt. De WPC is een completere regeling dan de NOW en moet werkgevers bij een crisis die buiten het ‘reguliere ondernemersrisico’ valt, meer tijd geven om de bedrijfsvoering aan te passen aan de nieuwe situatie en zo ontslagen te voorkomen.

Regeling bevat diverse erkende crises

In de regeling zijn diverse ‘erkende crises’ opgenomen, zoals niet-verwijtbare schade door brand of explosie, en schade door uitzonderlijke weersomstandigheden. Maar ook overheidsmaatregelen om de gevolgen van uitzonderlijke weersomstandigheden of de verspreiding van planten- of dierziekten te beperken. Vindt er een crisis plaats die niet concreet in de regeling is opgenomen, zoals een oorlog, dan is het aan de ministerraad om te beoordelen of er toch toegang is tot de WPC. Voorwaarde hiervoor is dat het aannemelijk is dat de crisis gedurende minimaal één maand zal leiden tot minstens 20% lagere inzet van arbeidscapaciteit bij één of meerdere werkgevers.

Herplaatsing, minder loon of combinatie van beide

Werkgevers kunnen aanspraak maken op de WPC als er door een erkende crisissituatie over twee maanden gemiddeld 20% minder werk is in de organisatie. Per crisis kan een werkgever éénmaal gebruikmaken van de WPC, voor een bij de aanvraag aan te geven crisistijdvak van twee, vier of zes aaneengesloten maanden. Werkgevers die voor een crisistijdvak van twee of vier maanden hebben gekozen, kunnen het crisistijdvak verlengen met twee of vier maanden, tot zij aan het maximum van zes aaneengesloten maanden zitten. Voldoet een werkgever aan de voorwaarden, dan kan hij kiezen voor:

  • Herplaatsing: de werkgever kan tijdelijk eenzijdig de werkzaamheden van werknemers wijzigen, zodat zij kunnen doorwerken. De gewijzigde werkzaamheden moeten wel ‘passend’ zijn (artikel). Ook is het bijvoorbeeld mogelijk om werknemers tijdelijk op een andere locatie te laten werken als daar nog wel werk is. Hierbij moet extra reistijd worden aangemerkt als werktijd en de extra reiskosten moeten door de werkgever worden vergoed. Bij deze optie moet de werkgever het volledige loon van de werknemers doorbetalen.
  • Verminderde loondoorbetaling met loonsubsidie: de werkgever kan werknemers 10% minder loon betalen over de uren die door de crisis niet gewerkt kunnen worden, waarbij het wettelijk minimumloon een ondergrens is. Voor 65% van de loonkosten over de niet-gewerkte uren kan de werkgever loonsubsidie aanvragen bij UWV.

Crisisregeling vervangt werktijdverkorting

Een combinatie van de twee opties is ook mogelijk. Bij beide moet de werkgever de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of het personeel om advies vragen en de vakbonden informeren. Als de Tweede en Eerste Kamer instemmen met het wetsvoorstel, kan de WPC op 1 januari 2029 in werking treden. Tot de inwerkingtreding kunnen werkgevers gebruik blijven maken van de WTV, die vervolgens zal vervallen. Wel geldt er overgangsrecht voor werkgevers die op dat moment gebruikmaken van de WTV voor de duur van de toekenning.