U bent hier

Onderneming & Personeel
Wet meer zekerheid flexwerkers door Tweede Kamer

Wet meer zekerheid flexwerkers door Tweede Kamer

Een meerderheid van de Tweede Kamer heeft zich vandaag achter het voorstel voor de Wet meer zekerheid flexwerkers geschaard. Het wetsvoorstel verandert de regels voor oproepkrachten, uitzendkrachten en de ketenregeling.

Na onder meer de Wet werk en zekerheid (WWZ) en de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) is het voorstel voor de Wet meer zekerheid flexwerkers (WMZF) de volgende troef van de regering om de positie van flexwerkers te verbeteren. Bij de stemming in de Tweede Kamer bleek een overtuigende meerderheid voorstander van het wetsvoorstel. Dat zal minister Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hoop bieden voor de stemming in de Eerste Kamer.
De minister ziet graag dat die stemming nog vóór het zomerreces plaatsvindt. Dit in verband met de honderden miljoenen euro’s die Nederland vanuit de Europese Unie kan ontvangen als de plannen uit het zogenoemde Herstel- en Veerkrachtplan worden gerealiseerd. Hiervoor moet onder meer de WMZF uiterlijk op 31 augustus 2026 in het Staatsblad als wet zijn gepubliceerd. Bovendien moet het onderdeel dat gaat over gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden uiterlijk op 31 december 2026 in werking treden. Voor andere wijzigingen van de WMZF is 1 januari 2028 de beoogde ingangsdatum.

Gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden en geen nulurencontracten

Het wetsvoorstel is kritisch ontvangen, maar kan tegelijkertijd op veel steun rekenen, mede doordat het in overleg met de sociale partners tot stand is gekomen. Eind april heeft de Tweede Kamer via amendementen het voorstel nog aangescherpt. Het wetsvoorstel regelt nu het volgende:

  • Uitzendkrachten hebben recht op ten minste dezelfde ‘essentiële arbeidsvoorwaarden’ en op ten minste gelijkwaardige niet-essentiële arbeidsvoorwaarden als werknemers in dienst van de inlener die hetzelfde werk verrichten (sociaal ontwikkelbedrijven uitgezonderd). In de cao kan in principe ook worden afgesproken dat het totaal aan arbeidsvoorwaarden gelijkwaardig moet zijn. Daarnaast krijgen uitzendkrachten bij ziekte altijd recht op loondoorbetaling en worden de uitzendfasen gewijzigd: fase A gaat naar maximaal 52 weken en fase B naar maximaal zes contracten in twee jaar. Daarna krijgt de uitzendkracht recht op een vast contract bij de uitlener. In de uitzend-cao is hier al op vooruitgelopen.
  • Nulurencontracten zijn niet toegestaan. Min-maxcontracten worden vervangen door de mogelijkheid voor een ‘bandbreedtecontract’, met een minimumaantal uren waarvoor de werkgever de werknemer moet inroosteren en een maximumaantal uren (maximaal 130% van het minimum). De beschikbaarheid wordt begrensd, zodat de werknemer buiten de vastgelegde uren makkelijker elders aan de slag kan, een opleiding kan volgen of zorg kan verlenen. Bandbreedtecontracten voor onbepaalde tijd gaan onder de lage WW-premie vallen. Scholieren en studenten met een bijbaan (maximaal 16 uur per week) mogen wel op oproepbasis blijven werken, evenals AOW-gerechtigde werknemers.
  • Een werknemer moet drie jaar uit dienst zijn voordat de werkgever hem opnieuw in tijdelijke dienst kan nemen. Momenteel is de termijn om de keten van tijdelijke contracten te doorbreken nog zes maanden. De wijziging moet ‘draaideurconstructies’ tegengaan. De termijn van drie jaar gaat ook gelden voor uitzendkrachten. Daarnaast worden enkele mogelijkheden om via de cao af te wijken van de wettelijke ketenregeling geschrapt. Voor scholieren en studenten met een bijbaan (maximaal 16 uur per week) blijft de tussenpoos wel zes maanden en ook voor seizoensarbeid blijven aparte regels mogelijk (een onderbrekingstermijn van drie maanden).