U bent hier

Onderneming & Administratie
HR: Niet-bezwaarmakers box 3 krijgen geen geld terug

HR: Niet-bezwaarmakers box 3 krijgen geen geld terug

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat belastingplichtigen die niet of niet op tijd bezwaar hebben ingediend tegen de box 3-belasting over de jaren 2017-2020 geen heffing terugkrijgen. Zij kunnen dus geen beroep doen op het Kerstarrest.

De Hoge Raad heeft het box 3-systeem met forfaitaire rendementen voor de heffing eind 2021 in het ‘Kerstarrest’ naar de prullenbak verwezen. Het kabinet heeft daarop in september 2022 besloten dat de niet-bezwaarmakers niet in aanmerking komen voor vermindering van hun aanslagen over 2017-2020. Omdat veel niet-bezwaarmakers verzochten om ambtshalve vermindering van hun aanslagen, besloot de staatssecretaris van Financiën deze verzoeken aan te wijzen voor de massaalbezwaarplusprocedure en het laatste oordeel aan de Hoge Raad te laten. Advocaat-Generaal (AG) Pauwels heeft eerder in een advies al aangegeven dat belastingplichtigen die niet op tijd bezwaar hebben ingediend tegen de box 3-heffing over de jaren 2017-2020 geen recht op compensatie hebben.

Geen beroep kunnen doen op Kerstarrest

Het advies van Pauwels is nu dus gevolgd door de Hoge Raad. Ons hoogste rechtsorgaan ziet geen reden om terug te komen op het arrest uit 2022 waarin is beslist dat het Kerstarrest nieuwe jurisprudentie vormt. De niet-bezwaarmakers verkeren namelijk niet in dezelfde positie als degenen die wel op tijd bezwaar hebben gemaakt. Van gelijke gevallen is dus geen sprake, en daarom ook niet van discriminatie.
Bij de toetsing van de uitzondering (dat geen ambtshalve vermindering plaatsvindt bij nieuwe jurisprudentie) aan het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel, stelt de Hoge Raad voorop dat de rechter zich daarbij terughoudend moet opstellen. Bij de totstandkoming van die uitzondering zijn namelijk politiek-bestuurlijke afwegingen gemaakt. De Hoge Raad geeft aan dat de nadelige gevolgen van de uitzondering voor belastingplichtigen die niet op tijd bezwaar hebben ingediend, niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Die doelen zijn gelegen in algemene overwegingen van rechtszekerheid en in praktische overwegingen. Dat zijn volgens de Hoge Raad legitieme doelen in het algemeen belang. De uitzondering voor nieuwe jurisprudentie is dus niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Ook de toetsing van de uitzondering aan het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur loopt vast. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld die ertoe kunnen leiden dat toepassing van de nieuwe jurisprudentie-uitzondering onredelijk bezwarend is, en daarmee onevenwichtig zou zijn. Conclusie is dus dat de niet-bezwaarmakers hun geld niet terugkrijgen.
Hoge Raad, 25 juni 2026, ECLI (verkort): 907, 1013