Rechter: heffing op excessief lenen doorstaat EVRM-toets
Gaat de overheid haar boekje te buiten met de heffing op zogeheten excessieve leningen van onder meer directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) bij hun eigen bv’s? De rechtbank oordeelt van niet. Dat er bijvoorbeeld geen onderscheid is tussen zakelijke en onzakelijke leningen maakt de heffing volgens de rechter nog niet onredelijk.
De heffing op excessieve leningen bij de eigen bv is in 2023 ingevoerd. Door te lenen van hun eigen bv kunnen dga's en andere houders van een aanmerkelijk belang de belastingheffing in de ogen van de overheid namelijk veel te lang uitstellen. Om dat tegen te gaan worden schulden boven een bepaald grensbedrag automatisch aangemerkt als inkomen uit aanmerkelijk belang, en dus belast in box 2 van de inkomstenbelasting (verdiepingsartikel).
Drempelbedrag is € 500.000
Het grensbedrag voor de heffing was eerder nog € 700.000, maar dat is later verlaagd naar € 500.000. Ook voor 2026 geldt dit grensbedrag. De heffing geldt alleen voor het deel van de schuld boven de drempel, en daarnaast zijn er bepalingen die ervoor zorgen dat dit excessieve deel niet nog eens belast wordt. Schulden voor een eigen woning zijn buiten de heffing gelaten (infographic).
Een interessante vraag bij deze heffing is of die in strijd is met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Daarbij gaat het onder meer over de bepaling rondom het ‘ongestoorde genot van eigendom’. Mede vanwege de mogelijke inbreuk op het EVRM hebben fiscale beroepsorganisaties dga's eerder aangeraden om bezwaar te maken (verdiepingsartikel) tegen de heffing op de excessieve lening.
Afrekenen in box 2
In deze zaak moest de rechtbank in Den Haag inderdaad toetsen of de heffing in strijd was met verschillende artikelen uit het EVRM. Het ging hier om een dga die bij de aangifte inkomstenbelasting over 2023 moest afrekenen over een excessieve lening. Hij zat welgeteld € 86.278 boven de grens, en dat deel viel dus in box 2. Van dit bedrag had de dga € 75.127 aan zichzelf toegerekend en € 11.151 aan zijn partner. Maar de dga voerde bij de rechtbank aan dat deze heffing überhaupt onterecht was, omdat die in strijd zou zijn met het EVRM. De Belastingdienst stelde dat er terecht inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking was genomen.
Heffing doorstaat toets
De rechtbank veegde de argumenten van de dga echter achter elkaar van tafel. Zo diende de heffing volgens de rechter wel degelijk een legitiem doel, namelijk het voorkomen van uitstel van belastingheffing door aanmerkelijkbelanghouders. Ook was de heffing volgens de rechtbank niet disproportioneel, zoals de dga aanvoerde. Zo hadden dga’s in totaal 5 jaar de tijd om op de nieuwe wetgeving in te spelen. Dat de heffing geen onderscheid maakte tussen zakelijke en onzakelijke leningen (verdiepingsartikel) was voor de rechter ook geen reden om die als onredelijk te bestempelen. Het doel van de heffing was namelijk belastinguitstel tegengaan, en of een lening zakelijk was of onzakelijk, was daarbij niet relevant. Voor de heffing was alleen de vraag of de dga op enig moment had kunnen beschikken over het geld. Al met al concludeerde de rechtbank dat de heffing een gerechtvaardigde inbreuk op het ongestoord genot van eigendom vormde. De aanslagen bleven dus in stand.
Rechtbank Den Haag, 2 juli 2026, ECLI (verkort): 18507 en 18509