U bent hier

Onderneming & Administratie
Verschil tussen IB en VPB leidt tot navordering bij dga

Verschil tussen IB en VPB leidt tot navordering bij dga

Een definitieve aanslag inkomstenbelasting (IB) betekent zeker niet altijd dat de kous af is. Komt de Belastingdienst later via de aangifte vennootschapsbelasting (VPB) van de onderneming nieuwe informatie tegen die bij het opleggen van de aanslag nog niet bekend was, dan kan alsnog worden nagevorderd bij de directeur-grootaandeelhouder (dga). Dat blijkt uit een recente uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De Belastingdienst mag alleen een navorderingsaanslag opleggen als daarvoor een wettelijke grond bestaat. Meestal is daarvoor een zogenoemd nieuw feit nodig: informatie waarover de inspecteur bij het opleggen van de oorspronkelijke aanslag nog niet beschikte en ook redelijkerwijs niet kon beschikken. De inspecteur hoeft daarbij niet uit eigen beweging dossiers van andere belastingplichtigen of andere belastingen te raadplegen. In onderstaande zaak stond de vraag centraal of de Belastingdienst over zo’n nieuw feit beschikte.

Ontbrekende uitkeringen in aangifte

De zaak draaide om een dga die een lijfrente en een oudedagsverplichting (ODV) bij zijn bv had. In zijn aangifte IB over 2018 nam hij een deel van de ODV-uitkering op. In de aangiften over 2019 en 2020 vermeldde hij echter geen lijfrente- of ODV-uitkeringen. Nadat de Belastingdienst de aangifte VPB van de bv had beoordeeld, bleek uit de jaarrekening dat de uitkeringen en de bijbehorende aanspraken anders waren verwerkt dan uit de aangiften IB naar voren kwam. Op basis van die informatie legde de inspecteur navorderingsaanslagen IB op aan de dga over 2018, 2019 en 2020.

Gegevens kwamen pas later aan het licht

De rechtbank stelde de Belastingdienst in het gelijk. Volgens de rechter mocht de inspecteur bij het opleggen van de oorspronkelijke aanslagen uitgaan van de juistheid van de ingediende aangiften. Pas ná ontvangst van de aangifte VPB van de bv kreeg hij inzicht in de gegevens uit de jaarrekening die aanleiding gaven om alsnog na te vorderen bij de dga. Van de inspecteur kon niet worden verwacht dat hij uit eigen beweging het dossier van de bv zou raadplegen om de aangiften IB van de dga te controleren. Daardoor was sprake van een nieuw feit en mocht de Belastingdienst navorderen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 juli 2026, ECLI (verkort): 6362