U bent hier

Onderneming & Administratie
S&O- administratie niet op orde had grote gevolgen

S&O- administratie niet op orde had grote gevolgen

Een werkgever die speur- en ontwikkelingswerk uitvoert voor innovatieve projecten, kan onder voorwaarden gebruikmaken van de afdrachtvermindering S&O. Het is hierbij wel van belang dat de werkgever een goede administratie bijhoudt, werd bevestigd in een recente zaak.

Een onderneming die werk maakt van research & development (R&D) kan via de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) korting claimen op (loon)kosten en uitgaven hiervoor. De overheid heeft de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) in het leven geroepen om innovatief onderzoek te stimuleren. Om de afdrachtvermindering toe te kunnen passen, moet een organisatie wel aan een aantal eisen voldoen, waaronder het bijhouden van een S&O-administratie (artikel).

Aantal uren gecorrigeerd naar nul

Uit de S&O-administratie moet duidelijk de aard, inhoud, omvang en voortgang van S&O-werkzaamheden blijken. Denk aan hoe de werkzaamheden verlopen en hoeveel uur ermee gemoeid is per project. Bij een organisatie die voor 2016 tot en met 2019 S&O-verklaringen aanvroeg voor verschillende projecten, bleek de administratie na een controle door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) echter niet op orde.
De (gemachtigde van de) minister van Economische Zaken corrigeerde daarom de S&O-verklaringen en stelde het aantal S&O-uren op nul. Dit leidde tot een correctie aan S&O-afdrachtvermindering van in totaal € 84.000, naar € 0. Ook volgden boeten van respectievelijk € 1.400 (voor 2016) en € 1.900 (voor 2017, 2018 en 2019) vanwege het niet voldoen aan de administratieplicht.

S&O-werk niet af te leiden uit administratie

Na bezwaar en beroep werden de boetes verminderd, maar de organisatie stelde dat er helemaal geen sprake was van overtreding van de administratieplicht en ging in hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College sloot zich echter aan bij het eerdere oordeel.
De minister had volgens het College voldoende gemotiveerd dat de aard, de inhoud, de omvang en de voortgang van het S&O-werk niet op eenvoudige en duidelijke wijze uit de S&O-administratie van de organisatie was af te leiden. Uit de administratie bleek niet duidelijk dat S&O-werk was verricht voor het opgegeven aantal uren. De correctie van de S&O-verklaringen naar nul uren was volgens het College dus juist en niet onevenredig. Voor een verdere matiging van de boeten zag het College ook geen aanleiding.

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25 augustus 2026, ECLI (verkort): 390