Collectiviteitskorting op reisfaciliteiten loon of niet?
Is een collectiviteitskorting van een organisatie voor haar werknemers een vorm van loon of niet? Hof Arnhem-Leeuwarden deed hier onlangs uitspraak over.
Bij een organisatie die zich bezighoudt met reizigersvervoer per spoor, inclusief dochterondernemingen, konden (oud)werknemers en hun gezinsleden op grond van de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) gebruikmaken van verschillende voordelige reismogelijkheden. In een overeenkomst stond welke reisproducten de organisatie verstrekte en welke kortingen hiervoor golden, waaronder een collectiviteitskorting.
Collectiviteit of voordeel uit dienstbetrekking?
Over het aanbieden van Dal-abonnementen en losse treinreizen met collectiviteitskorting ontstond discussie tussen de organisatie en de belastinginspecteur. De inspecteur legde naheffingsaanslagen loonheffingen op voor de jaren 2015 tot en met 2019. Hij stelde dat de collectiviteitskorting tot het loon van werknemers behoorde, omdat de korting voortkwam uit de dienstbetrekking. De organisatie was het daar niet mee eens en stelde dat de collectiviteitskorting niet voortkwam uit de dienstbetrekking, maar uit collectiviteit en daarom niet tot het loon behoorde.
Hof Arnhem-Leeuwarden sloot zich aan bij het standpunt van de inspecteur. Alles wat een werknemer ontvangt in het kader van zijn dienstbetrekking is loon. De verstrekking van reisfaciliteiten, inclusief Dal-abonnementen en losse treinreizen, kwam in dit geval voort uit de relatie tussen de werkgever en (oud)werknemers. Bovendien ging het argument rond de collectiviteitskorting niet op. De organisatie verstrekte alleen collectiviteitskorting aan grote zakelijke klanten, maar nooit over Dal-abonnementen en losse treinreizen. De korting voor werknemers kon dus ook niet vanuit collectiviteit voor die specifieke reisproducten gelden.
Concernregeling bij organisatie van de Staat
Ook stond ter discussie hoe het zat met toepassing van de concernregeling in de werkkostenregeling (WKR) voor de organisatie en de dochterondernemingen. De aandelen van de organisatie waren volledig in handen van de Staat. Daarom was de belastinginspecteur van mening dat de organisatie de concernregeling niet kon toepassen. Volgens de letterlijke wettekst zouden de organisatie en dochterondernemingen alleen de concernregeling kunnen toepassen als de Staat en alle andere organisaties waarin de Staat 95% of meer van de aandelen heeft ook allemaal aan de concernregeling deelnamen. Het hof stelde echter dat dit niet verlangd kon worden van alle andere organisaties die niet financieel, economisch of organisatorisch verweven zijn met de organisatie in kwestie. Het hof deed daarom een beroep op redelijke wetstoepassing en oordeelde dat het toepassen van de concernregeling in dit geval mocht gebeuren op het niveau van de organisatie en de dochterondernemingen: de organisatie kon de concernregeling dus gewoon (blijven) toepassen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 augustus 2026, ECLI (verkort): 5301