Dodelijke brandstichting geen reden om VOG te weigeren
Bij de aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) wordt beoordeeld of iemand in het verleden gestraft is voor zaken die voor een bepaalde functie relevant kunnen zijn. Een verleden met dodelijke brandstichting was geen reden om een VOG te weigeren, oordeelde Rechtbank Amsterdam.
Om in de gezondheidszorg te mogen werken, vroeg een werkneemster een VOG aan bij Justis, de screeningsautoriteit van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Justis oordeelde tot driemaal toe dat de werkneemster geen ontoelaatbaar verleden had voor haar functie, maar de vierde keer werd haar aanvraag afgewezen. De werkneemster had zich in het verleden namelijk schuldig gemaakt aan brandstichting met de dood tot gevolg. De werkneemster vocht de beslissing aan bij de bestuursrechter, omdat haar persoonlijke omstandigheden onvoldoende zouden zijn meegewogen in de beslissing.
Rechter had begrip voor terughoudendheid
In de tussenuitspraak toonde de rechter begrip voor de terughoudendheid van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid – die VOG-eindverantwoordelijke is – bij het afgeven van een VOG aan de werkneemster. Het stond immers buiten kijf dat zij zich schuldig had gemaakt aan een zeer ernstig misdrijf. Er was echter onvoldoende gemotiveerd hoe ‘alle omstandigheden van het geval in samenhang bezien’ van invloed waren op de beoordeling van de aanvraag. Daarbij ging het vooral om het gewicht dat werd toegekend aan de kans op herhaling van een strafbaar feit (recidive) door de werkneemster en dat stabiele huisvesting en een baan beschermende factoren waren (en wat het verlies van stabiliteit zou betekenen).
Motiveringsgebrek werd niet hersteld
De gemachtigde van de staatssecretaris kreeg de kans om dit ‘motiveringsgebrek’ te herstellen, maar slaagde daar slechts deels in. Het ontbrak volgens de rechter nog altijd aan een duidelijke afweging tussen het belang van de werkneemster, inclusief alle (persoonlijke) omstandigheden, en het algemeen belang van bescherming van de samenleving.
Slachtoffer van toeslagenaffaire
Uiteindelijk verplichtte de rechter de staatssecretaris om de werkneemster alsnog een VOG (infographic) te verstrekken. De vrouw had haar ernstige fout uit het verleden erkend en daar verantwoordelijkheid voor genomen. Ze had in detentie aan haar resocialisatie gewerkt en was door onder meer de reclassering ondersteund om te gaan werken in de zorg. Door de goedbetaalde baan kon ze als alleenstaande moeder een huis huren en een stabiele thuissituatie voor zichzelf en haar zoon creëren. De rechter achtte het aannemelijk dat dit niet mogelijk zou zijn met een andere baan, waardoor het niet toekennen van een VOG ontwrichtende gevolgen zou kunnen hebben. De staatssecretaris had onbedoeld aan deze afhankelijkheid bijgedragen door driemaal wel een VOG voor werk in de zorg te verlenen. Bij zijn oordeel woog de rechter mee dat de werkneemster slachtoffer was van de toeslagenaffaire.
Rechtbank Amsterdam, 25 augustus 2026, ECLI (verkort): 8480