Inspecteur schiet niet op: navorderingsaanslag van tafel
Bij verzwegen vermogen uit het buitenland heeft de Belastingdienst langer de tijd om nog een navorderingsaanslag op te leggen. Maar de inspecteur mag niet te lang treuzelen om de gemiste belasting alsnog te innen. Anders gaat de navorderingsaanslag de prullenbak in, zo blijkt weer uit een recente rechtszaak.
De Belastingdienst mag gemiste belasting alsnog innen via een navorderingsaanslag of een naheffingsaanslag (infographic). Maar hier zijn wel voorwaarden aan verbonden. Voor een navorderingsaanslag voor bijvoorbeeld de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting of de erfbelasting moet de inspecteur bijvoorbeeld een ‘nieuw feit’ (verdiepingsartikel) hebben. Ook gelden er termijnen voor de navordering. Voor binnenlands inkomen is die termijn 5 jaar na afloop van het belastingtijdvak. Gaat het om buitenlands inkomen of vermogen, dan geldt de zogeheten verlengde navorderingstermijn van 12 jaar.
Aanslag erfbelasting
In deze rechtszaak ging het om buitenlands vermogen en een aanslag erfbelasting. Een vrouw had een erfenis ontvangen van haar in 2010 overleden echtgenoot. Het ging volgens de aanslag om een erfrechtelijke verkrijging van zo’n € 1,4 miljoen, en zij moest daarover ruim € 150.000 aan erfbelasting betalen (rekentool).
Informatie over buitenlandse rekening
Later vroeg de fiscus bij de vrouw informatie op over Belgische rekeningen, die niet in de aangifte inkomstenbelasting waren opgegeven. Daarop stuurde de vrouw een financieel overzicht van deze rekeningen voor de jaren 2007 tot en met 2019. Dit inzicht deelde de inspecteur voor de inkomstenbelasting ook met een collega bij erfbelasting. Met daarbij de vraag of die gegevens misschien ook van belang waren voor de aanslag erfbelasting. De conclusie luidde dat de Belgische tegoeden ten onrechte niet waren vermeld in de aangifte. En dus volgde er een navorderingsaanslag, waarbij het bedrag aan erfbelasting € 20.000 hoger uitviel. Ook kwamen er nog een vergrijpboete en heffingsrente bovenop.
Inspecteur moet voortvarend werken
De rechtszaak spitste zich toe op de vraag of de fiscus in dit geval snel genoeg was geweest met de navorderingsaanslag. Voor de verlengde navorderingstermijn heeft de Hoge Raad namelijk eerder de zogeheten voortvarendheidseis geformuleerd. Die houdt kort gezegd in dat de inspecteur na de eerste signalen rondom buitenlands vermogen ook vlot aan de slag gaat met de navordering. Als de inspecteur langer dan 6 maanden onverklaarbaar stil zit, is niet voldaan aan de voortvarendheidseis.
Hof zet streep door navorderingsaanslag
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de fiscus wel snel genoeg had gehandeld. Vanaf het moment dat de inspecteur erfbelasting een seintje had ontvangen, was er geen periode van langer dan 6 maanden waarin de inspecteur had stilgezeten. Maar het gerechtshof dacht daar anders over. Volgens het hof was er geen onderscheid tussen de inspecteur die de aangifte inkomstenbelasting behandelde en de inspecteur die de aangifte erfbelasting behandelde. Zij vormen samen één bestuursorgaan. Dit betekende volgens het hof dat de fiscus in totaal meer dan 6 maanden had stilgezeten in de periode tussen de signalen over buitenlands vermogen en de start van het navorderingstraject. De navorderingsaanslag en de boete waren daarom ten onrechte opgelegd en het hof zette daar dus een streep doorheen.
Gerechtshof Amsterdam, 21 juli 2026 (publicatiedatum 23 september 2026), ECLI (verkort): 2574