U bent hier

Onderneming & Salaris
…
Drie rechtsvermoedens voor werkenden per 31 december 2026

Drie rechtsvermoedens voor werkenden per 31 december 2026

In de wet staan zogenoemde rechtsvermoedens die werkenden kunnen gebruiken voor claims: het rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst en rechtsvermoeden van arbeidsomvang. Eind dit jaar komt er een derde bij én er is een vierde in de maak.

In artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is de definitie van een arbeidsovereenkomst opgenomen. Aanvullend bevatten artikel 610a en artikel 610b rechtsvermoedens die hiermee samenhangen. Werkenden kunnen met die vermoedens makkelijker hun rechten opeisen.

Rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst

In artikel 610a staat dat als iemand drie maanden achter elkaar wekelijks of minstens 20 uur per maand werk verricht voor een ander én daarvoor betaald wordt, het vermoeden bestaat dat dit werk wordt verricht op basis van een arbeidsovereenkomst. De mogelijke werknemer kan dit bij de werkverschaffer neerleggen en zo nodig een procedure starten. Het is dan aan de werkverschaffer om te weerleggen dat toch niet wordt voldaan aan de kenmerken van een arbeidsovereenkomst.

Rechtsvermoeden van arbeidsomvang

Artikel 610b is bedoeld voor situaties waarin de arbeidsomvang niet duidelijk vaststaat. Het rechtsvermoeden (artikel) is dat als de arbeidsovereenkomst minstens drie maanden heeft geduurd, de arbeidsomvang wordt vermoed gelijk te zijn aan de gemiddelde arbeidsomvang per maand in de drie voorafgaande maanden. Heeft een werknemer in drie maanden tijd 150 uur gewerkt, dan gaat het dus om gemiddeld 50 uur per maand. De werknemer kan zich op die gemiddelde omvang beroepen, bijvoorbeeld bij een loonvordering. Ook hier kan de werkgever het vermoeden proberen te weerleggen, bijvoorbeeld door aan te tonen dat de drie maanden een piekperiode vormden en daarom niet representatief zijn.

Rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief

Vanaf 31 december 2026 is er een derde rechtsvermoeden. Dat komt in wetsartikel 610aa. Als iemand voor een ander arbeid verricht en niet meer dan € 38 per uur (peildatum: 1 januari 2026) als beloning ontvangt, is er een vermoeden van arbeidsovereenkomst. Deze tariefgrens wordt twee keer per jaar geïndexeerd. Het kabinet hoopt met het vermoeden, en de preventieve werking ervan, schijnzelfstandigheid tegen te gaan. Maar een uurtarief van € 38 of minder zorgt niet automatisch voor een arbeidsovereenkomst, net zoals een hoger tarief niet iemand gelijk zelfstandige maakt. Voor de arbeidsrelatietoets zijn alle omstandigheden van de situatie relevant.
Het rechtsvermoeden op basis van het uurtarief geeft werkenden in elk geval een extra optie om een arbeidsovereenkomst te claimen. Het kabinet verwacht dat het voor werkenden vaak makkelijker is om een uurtarief aan te tonen (artikel) dan de verschillende punten uit artikel 610a.

Rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst voor platformwerker

Eind juni kwam het conceptvoorstel voor de Wet platformwerk naar buiten. Dit is gebaseerd op een EU-richtlijn die Nederland op korte termijn in de wetgeving behoort te verwerken. Het wetsvoorstel regelt dat er een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst geldt voor platformwerkers als er aanwijzingen zijn van leiding en toezicht door een platform. Hier zijn vijf criteria voor opgesteld. Voor een beroep op het rechtsvermoeden moet aan minimaal twee criteria worden voldaan.