Hoge Raad: Termijn voor hoger beroep is ruim genoeg
Als een belastingplichtige een geschil over belastingen wil aankaarten bij de rechter, is de termijn daarvoor doorgaans 6 weken. Volgens een procederende belastingplichtige is dat te kort. Maar de Hoge Raad oordeelt dat de termijn niet in strijd met de Europese grondrechten is.
Een burger, ondernemer of werkgever die het niet eens is met een besluit van de Belastingdienst, kan eerst bezwaar maken bij de fiscus. Levert dat niets op, dan kan diegene beroep aantekenen bij de rechtbank (toolbox). Voor het indienen van een bezwaarschrift en voor het aantekenen van beroep geldt dezelfde termijn: 6 weken. Bij het bezwaarschrift begint de termijn te lopen vanaf de dagtekening van de aanslag. De beroepstermijn start op de datum van ontvangst van de beslissing van de fiscus. Ook als de belastingplichtige na de uitspraak van de rechtbank nog in hoger beroep wil gaan bij het gerechtshof (infographic), geldt er weer een termijn van 6 weken.
Te laat? Dan niet-ontvankelijk verklaard
Voor deze termijnen geldt in het algemeen: te laat is te laat. Als een belastingplichtige de termijn van 6 weken overschrijdt, wordt het bezwaarschrift of beroepschrift meestal niet-ontvankelijk verklaard. Het wordt dan dus niet in behandeling genomen. Alleen als het écht niet aan de belastingplichtige te wijten is dat een bezwaarschrift of beroepschrift te laat is ingezonden, kan de inspecteur of de rechter het alsnog in behandeling nemen. Dan is er sprake van een zogeheten verschoonbare termijnoverschrijding (verdiepingsartikel), maar de lat daarvoor ligt hoog.
Beroepschrift buiten de termijn verzonden
De Hoge Raad moest zich buigen over de termijn van 6 weken voor hoger beroep in een zaak die oorspronkelijk draaide om een naheffing voor de bpm. De uitspraak van de rechtbank in deze zaak was op 20 december 2023 aan de belastingplichtige verzonden. De termijn om hoger beroep in te stellen liep daarom tot en met 31 januari 2024. Maar de belastingplichtige liet het gerechtshof pas op 5 februari 2024 weten dat hij hoger beroep wilde instellen. Daarom werd het niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de termijn.
De belastingplichtige beklaagde zich daar vervolgens over bij het hof en nu dus bij de Hoge Raad. Strak vasthouden aan deze Nederlandse termijn van 6 weken was volgens hem in strijd met Europese grondrechten. Op deze manier was hem ‘toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter ontnomen’.
Hoge Raad: Nederlandse termijn is redelijk
Maar de Hoge Raad keek daar een stuk genuanceerder naar. De hoogste rechter van ons land memoreerde dat Europees recht wel bepaalt dat de toegang tot de rechter doeltreffend en eerlijk geregeld moet zijn, maar het schrijft geen termijnen voor. Het is dus aan de lidstaten om redelijke termijnen vast te stellen voor het instellen van beroep. En de Hoge Raad zag geen reden om aan te nemen dat de Nederlandse termijnen onredelijk zijn. Mede doordat er dus nog een uitweg is om een beroepschrift alsnog in behandeling te nemen als de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Al met al verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie dus ongegrond.
Hoge Raad, 23 oktober 2026, ECLI (verkort): 1732