Uitzendkracht mag maximaal drie jaar voor inlener werken
De wet verbiedt inleners momenteel niet expliciet om een uitzendkracht onbeperkt tijdelijk in te lenen. Het conceptvoorstel voor de ‘Wet tijdelijkheid van inlenen’ regelt dat een arbeidskracht maximaal drie jaar op basis van een uitzendovereenkomst mag werken bij dezelfde inlener.
Uitzendwerk moet volgens de Uitzendrichtlijn en Europese rechtspraak tijdelijk zijn. Toch kan een ter beschikking gestelde arbeidskracht op dit moment onbeperkt voor een inlener werken zonder uitzicht op een vast contract. Het is aan rechters om hier paal en perk aan te stellen. Dat gebeurt ook. Zo oordeelde de kantonrechter in Den Haag eerder dit jaar dat 7,5 jaar onafgebroken uitzendwerk niet meer tijdelijk kon zijn en concludeerde de Hoge Raad in 2025 dat 13 jaar onafgebroken uitzendwerk te gortig was. In beide gevallen had de inlener misbruik gemaakt van de uitzendovereenkomst door de arbeidskracht langdurig in te lenen zonder hem een vaste baan aan te bieden.
Arbeidskracht kan vast contract afdwingen
Als het aan het kabinet ligt, wordt uitzendwerk op termijn ook echt tijdelijk. Hiervoor wordt de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (WAADI) gewijzigd. De volgende maatregelen moeten misbruik van de uitzendovereenkomst voorkomen en de rechten van ter beschikking gestelde arbeidskrachten – zoals uitzendkrachten, payrollkrachten en gedetacheerden – beter beschermen:
- Een inlener mag een arbeidskracht maximaal 156 aaneengesloten weken inlenen. Het gaat om een harde termijn: ook weken waarin de arbeidskracht niet heeft gewerkt vanwege bijvoorbeeld ziekte of vakantie tellen mee. Het maakt niet uit of de arbeidskracht in die periode door één of meerdere uitleners ter beschikking is gesteld. Voor de gegevens van de inlening geldt een bewaartermijn van zeven jaar ná het einde van het kalenderjaar waarin de eerste terbeschikkingstelling is geëindigd; pas daarna kan de telling opnieuw beginnen.
- Wil de inlener de samenwerking na de maximale inleentermijn voortzetten, dan moet hij de arbeidskracht uiterlijk in week 152 een schriftelijk aanbod doen voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tegen minimaal dezelfde arbeidsomvang en arbeidsvoorwaarden die op dat moment gelden. Wil de inlener de samenwerking beëindigen, dan moet hij dit ook uiterlijk in week 152 schriftelijk kenbaar maken aan de arbeidskracht.
- Laat de inlener niets weten vóór het verstrijken van de 156-wekentermijn, dan kan de arbeidskracht zelf een aanbod doen of via de rechter een aanbod voor een vast contract afdwingen. De inlener moet een redelijk aanbod van de arbeidskracht in principe accepteren.
- De maximale inleentermijn van 156 weken blijft gelden als de arbeidskracht het aanbod voor een vast contract afwijst. De arbeidskracht mag in dat geval dus niet op basis van een uitzendovereenkomst blijven werken bij de inlener.
- Gaat de arbeidskracht in op het aanbod, dan mag de uitlener geen overnamefee in rekening brengen bij de inlener. Een overnamefee is een vergoeding voor verleende diensten van de uitlener en de werving of opleiding van de arbeidskracht. Het verbod op een overnamefee geldt niet als er na drie jaar uitlenen nog niet-verrekende kosten zijn. Bijvoorbeeld als de arbeidskracht een dure meerjarige opleiding heeft gevolgd. De uitlener moet die kosten dan wel aannemelijk maken.
Uitzondering voor uitzendovereenkomsten voor onbepaalde tijd
De maximale inleentermijn van 156 weken geldt niet als de arbeidskracht een uitzendovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft bij de uitlener. Voorwaarde voor een langere inleentermijn is in dat geval wel dat het uitzendwerk bij de inlener tijdelijk is. Is dat niet (langer) zo en is de 156-wekentermijn overschreden, dan moet de inlener de arbeidskracht (alsnog) een aanbod doen voor een vast contract. Wat tijdelijk is, kan per geval verschillen, en bij een geschil hierover is het uiteindelijk aan de rechter om dit te beoordelen. Bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) kan worden bepaald dat in bepaalde sectoren de maximale inleentermijn toch geldt voor uitzendovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Bijvoorbeeld in sectoren die gevoelig zijn voor misstanden.
Overgangsrecht geeft inlener drie maanden de tijd
De beoogde ingangsdatum van de regels is 1 januari 2028. Overgangsrecht regelt dat als een arbeidskracht op de ingangsdatum van de wet al aan de maximale inleentermijn van 156 weken zit, de inlener drie maanden de tijd heeft om hem een aanbod voor een vast contract te doen of de samenwerking te beëindigen. Belangstellenden kunnen tot en met 24 november reageren op de internetconsultatie.