U bent hier

OR & Medezeggenschap
RVU-drempelvrijstelling op de schop in Belastingplan 2026

RVU-drempelvrijstelling op de schop in Belastingplan 2026

In het Belastingplan 2026 worden maatregelen opgenomen die de drempelvrijstelling voor de regeling voor vervroegde uittreding (RVU) structureel maken en aanpassen. Staatssecretaris Van Oostenbruggen van Financiën licht dit in een Kamerbrief toe.

In het Pensioenakkoord van 2019 is de tijdelijke drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegde uittreding (RVU) afgesproken. Sinds 2021 kunnen werknemers tot drie jaar vóór hun AOW-leeftijd stoppen met werken terwijl ze daarbij een uitkering ontvangen, zonder dat de werkgever hierover de hoge pseudo-eindheffing hoeft te betalen. Tot het bedrag van de RVU-drempelvrijstelling (€ 2.273 per maand in 2025) is een werkgever geen 52% pseudo-eindheffing verschuldigd over uitkeringen aan een werknemer met een RVU. Deze regeling loopt af op 31 december 2025. In oktober 2024 heeft het kabinet met de sociale partners afgesproken de RVU-drempelvrijstelling permanent te maken, specifiek voor mensen met zwaar werk.

Pseudo-eindheffing gaat stapsgewijs omhoog

In het wetsvoorstel Belastingplan 2026 zal het kabinet een voorstel opnemen om de regeling voort te zetten per 1 januari 2026. Daarbij wordt het maandelijkse vrijstellingsbedrag met € 300 verhoogd, en het tarief van de pseudo-eindheffing (artikel) op uitkeringen boven de vrijstellingsgrens geleidelijk verhoogd tot 65% in 2028. Ook wordt er een bepaling toegevoegd voor evaluatie en monitoring van de regeling. Daarnaast worden er enkele technische verbeteringen in de wettekst aangebracht.

Geen apart wetsvoorstel voor RVU-drempelvrijstelling

De vaste commissie van Financiën heeft gevraagd waarom het structureel maken van de RVU-drempelvrijstelling onderdeel zal uitmaken van het wetsvoorstel Belastingplan 2026 en niet in een zelfstandig wetsvoorstel wordt gegoten. Daarop antwoordt de staatssecretaris dat het om een relatief kleine maatregel gaat, die per 1 januari 2026 moet ingaan. Volgens hem rechtvaardigt de voorgestelde wijziging zowel qua inhoud als qua omvang niet een zelfstandig wetsvoorstel. Alleen als de Tweede Kamer daar nadrukkelijk om vraagt, zal de staatssecretaris overwegen om hiervoor een apart wetsvoorstel in te dienen.