Beëindigingsovereenkomst niet vernietigd na kankerdiagnose
Een werkneemster kwam er ná het tekenen van een beëindigingsovereenkomst achter dat ze borstkanker had. Ze liet de overeenkomst daarom vanwege dwaling (een verkeerde voorstelling van zaken) vernietigen, maar dat hield geen stand bij de rechter.
Na ruim een halfjaar van arbeidsongeschiktheid vanwege aanhoudende vermoeidheidsklachten kwamen een directeur-bestuurder en haar werkgever een beëindigingsovereenkomst overeen voor een ontslag met wederzijds goedvinden. 1,5 maand later (en 3,5 maand vóór de afgesproken einddatum van de arbeidsovereenkomst) werd de werkneemster gediagnosticeerd met borstkanker. Hierop liet ze haar advocaat de beëindigingsovereenkomst vernietigen wegens wederzijdse dwaling. Bij dwaling is een overeenkomst (mede) tot stand gekomen op basis van een verkeerde voorstelling van zaken, in dit geval over de aard van de arbeidsongeschiktheid. De overeenkomst kan dan buitengerechtelijk worden vernietigd. Bij een juiste voorstelling van zaken had de werkneemster de beëindigingsovereenkomst nooit getekend, stelde zij.
Er was sprake van wederzijdse dwaling
De kantonrechter concludeerde dat er sprake was van wederzijdse dwaling. De partijen gingen er bij het sluiten van de beëindigingsovereenkomst namelijk niet van uit dat de werkneemster ernstig ziek was en zware behandelingen zou moeten ondergaan, wat later wel zo bleek te zijn. De werkgever meende dat hij niet had hoeven begrijpen dat de werkneemster bij een juiste voorstelling van zaken de beëindigingsovereenkomst niet zou hebben gesloten, omdat de reden voor beëindiging zou zijn geweest dat de werkneemster meer tijd met haar familie wilde doorbrengen. Omdat het één het ander volgens de rechter niet uitsloot en de werkgever ter zitting min of meer erkende dat hij begreep dat de beëindigingsovereenkomst niet zou zijn gesloten als de werkneemster wist dat ze borstkanker had, was de overeenkomst vernietigbaar.
Initiatief voor beëindiging lag bij de werkneemster
Vervolgens was het de vraag voor wiens rekening de dwaling kwam. Hierbij vond de rechter het zwaar wegen wie het initiatief had genomen voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Omdat de partijen het op dat punt niet met elkaar eens waren, keek de rechter naar het doel en de tekst van de beëindigingsovereenkomst, de manier waarop de overeenkomst tot stand was gekomen en de communicatie tussen de partijen vóór en ná de ondertekening ervan. Met name op basis van het doel van de overeenkomst (rust voor de werkneemster) en de communicatie achteraf (afscheidsmails) was de conclusie dat het initiatief voor de beëindiging bij de werkneemster lag.
Werkgever had de werkneemster niet hoeven waarschuwen
Dat de werkneemster ondanks de onduidelijkheid over de reden voor haar gezondheidsklachten er toch voor had gekozen om de beëindigingsovereenkomst (tool) te sluiten, kon de werkgever niet worden aangerekend. De werkgever had haar ook niet hoeven waarschuwen dat het sluiten van de beëindigingsovereenkomst mogelijk niet het einde van haar gezondheidsklachten zou betekenen, omdat het ook voor hem niet te voorzien was dat de werkneemster borstkanker zou hebben. Al met al was de vernietiging van de beëindigingsovereenkomst niet rechtsgeldig. Het ontslag met wederzijds goedvinden bleef dus staan.
Rechtbank Rotterdam, 10 april 2026, ECLI (verkort): 4480