Werkgever hoefde hersteldmelding niet te accepteren
Een werkgever hoeft een hersteldmelding van een arbeidsongeschikte werknemer niet zomaar te accepteren. In een recent kort geding meldde een werknemer zich na 102 weken ziekte plotsklaps beter, maar daar was volgens de kantonrechter weinig reden toe.
Een directeur van een voedselproducent meldde zich ziek, waarna de bedrijfsarts concludeerde dat er sprake was van verzuim als gevolg van een arbeidsconflict (situatieve arbeidsongeschiktheid genoemd). Ongeveer een maand vóór het verstrijken van de loondoorbetalingsperiode van 104 weken rapporteerde de bedrijfsarts dat herstel van de werknemer binnen 26 weken niet aannemelijk was, ondanks een licht positieve trend in zijn belastbaarheid en een mediationtraject om het arbeidsconflict op te lossen. Zo’n 26-wekenprognose is nodig voor een ontslagvergunning wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.
Werknemer vroeg deskundigenoordeel aan bij UWV
Na ongeveer 102 weken van arbeidsongeschiktheid meldde de werknemer zich ineens beter, maar de werkgever accepteerde de hersteldmelding niet. De bedrijfsarts kwam na de hersteldmelding wel iets terug op zijn eerdere oordeel, maar merkte daarbij uitdrukkelijk op dat herstel alsnog niet aannemelijk was zolang het arbeidsconflict niet opgelost was. Vanwege het verschil van inzicht over zijn belastbaarheid vroeg de werknemer een deskundigenoordeel (infographic) aan bij UWV. De verzekeringsarts van UWV concludeerde dat de werknemer arbeidsgeschikt was, op voorwaarde dat er mediation plaatsvond (artikel).
Plotselinge hersteldmelding was onterecht
Omdat de werkgever 104 weken na de ziekmelding was gestopt met de loondoorbetaling, spande de werknemer een kort geding aan bij de kantonrechter. Hierin vorderde hij achterstallig loon en wedertewerkstelling. Volgens de werkgever was de plotselinge hersteldmelding onterecht, waardoor de werknemer inmiddels meer dan 104 weken arbeidsongeschikt was en de periode van de loondoorbetalingsplicht (toolbox) was verstreken.
Verzekeringsarts had geen hoor en wederhoor toegepast
De rechter verduidelijkte dat de loondoorbetalingsperiode van de werkgever inderdaad was verstreken, tenzij de werknemer vóór het eindigen van die periode toch arbeidsgeschikt was geworden. Dat bleek in elk geval niet uit het deskundigenoordeel van UWV, dat door de rechter terzijde werd geschoven. De verzekeringsarts van UWV had namelijk geen hoor en wederhoor toegepast, geen inlichtingen bij de bedrijfsarts opgevraagd en zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
Oplossing arbeidsconflict was ver weg
Daarnaast was de bepleite arbeidsgeschiktheid niet te rijmen met de beoordelingen van de bedrijfsarts. Die had zijn eerdere oordeel weliswaar genuanceerd, maar wel onder voorwaarde dat het arbeidsconflict opgelost zou worden. Een oplossing was ver weg, stelde de rechter ter zitting vast. Al met al concludeerde de rechter dat de werknemer onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij vóór het verstrijken van de loondoorbetalingsperiode van de werkgever weer arbeidsgeschikt was. De vorderingen van de werknemer werden daarom afgewezen en de werkgever liep niet het risico later wederom langdurig het loon te moeten doorbetalen.
Rechtbank Noord-Holland, 7 september 2026, ECLI (verkort): 11876