U bent hier

OR & Medezeggenschap
Rechter weigert vervangende toestemming; OR krijgt gelijk

Rechter weigert vervangende toestemming; OR krijgt gelijk

Een bestuurder vroeg de kantonrechter om vervangende toestemming nadat de ondernemingsraad (OR) instemming had geweigerd voor een regeling over hybride werken. De rechter oordeelde dat de OR hiermee niet onredelijk had gehandeld en gaf geen vervangende toestemming.

Op grond van artikel 27, lid 4 WOR kan de bestuurder de kantonrechter om vervangende toestemming (artikel) vragen als de OR niet instemt met zijn voorgenomen besluit. De kantonrechter geeft alleen vervangende toestemming als de beslissing van de OR om instemming te weigeren onredelijk is of als het voorgenomen besluit van de bestuurder noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen.

Wanneer is het weigeren van instemming onredelijk?

Van onredelijkheid van de beslissing van de OR is sprake als de argumenten van de bestuurder voor het voorgenomen besluit zwaarder wegen dan die van de OR voor het onthouden van zijn instemming. Als de argumenten van beide partijen even zwaar wegen, geeft de kantonrechter geen toestemming, tenzij de bestuurder kan aantonen dat zwaarwegende bedrijfsbelangen de vervangende toestemming noodzakelijk maken.

Wat was er aan de hand?

In deze rechtszaak verschilden de bestuurder en de OR van mening over het verstrekken en vergoeden van headsets aan de werknemers. De OR wilde dat in de regeling nadrukkelijk werd opgenomen dat headsets voor vergoeding in aanmerking kwamen. Ook wilde de OR willekeur en gebrek aan transparantie voorkomen door duidelijk af te spreken welke werknemers voor een headset in aanmerking kwamen.
De bestuurder wilde dit niet, omdat het budget dat de gemeenteraad (de werkgever was een gemeente) had toegezegd hiervoor niet toereikend was. Hij weigerde terug te gaan naar de gemeenteraad met de vraag om meer geld. De bestuurder stelde dat hij – als werkgever – wettelijk verplicht is om voor een veilige en gezonde thuiswerkplek te zorgen. Headsets staan echter niet als voorwaarde in de Arbeidsomstandighedenwet. Voor het verstrekken en vergoeden van headsets wilde hij een aparte regeling afspreken.

Hybride werken is meer dan alleen thuiswerken

De rechter oordeelde allereerst dat niet ter discussie stond dat een werkgever verplicht is voor een gezonde en veilige thuiswerkplek (artikel) te zorgen. Een regeling over hybride werken gaat echter verder dan alleen thuiswerken. Het gaat ook over op kantoor werken. De OR voerde terecht aan dat werknemers ook op kantoor behoefte konden hebben aan een headset.

Zorgen over willekeur terecht

De rechter vond ook de zorgen van de OR over willekeur en een gebrek aan transparantie terecht. Op de zitting bevestigde de bestuurder namelijk dat headsets functiespecifiek werden toegekend. Hij had echter niet vastgelegd voor welke functies dit gold en onder welke voorwaarden. Volgens de OR hing het hierdoor van de leidinggevende af of een werknemer een headset kreeg of niet. De bestuurder ontkende dit niet.

Geen ruimte voor headsets in budget

De bestuurder voerde ook aan dat de kosten van de regeling structureel en aanzienlijk omhoog zouden gaan als ook headsets (en wifiversterkers) vergoed moesten worden. Omdat de gemeenteraad zorgvuldig met overheidsgelden om moet gaan, vond de bestuurder het onredelijk om de gemeenteraad om een verhoging van het budget te vragen. Volgens de bestuurder had de OR door zijn instemming te onthouden (tool) de belangen van de werknemers geschaad. De werknemers hadden bij instemming namelijk allang een vergoeding kunnen krijgen.

Toetsing zwaarwegende bedrijfsbelangen

De rechter kwam tot de conclusie dat de bestuurder hiermee vroeg om vervangende toestemming vanwege zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen. Deze toets is echter pas relevant als de argumenten van beide partijen even zwaar wegen.
Daarnaast deed de bestuurder een beroep op de onredelijkheid van het besluit van de OR, maar ook daarmee had hij geen succes. De rechter oordeelde dat de bestuurder onvoldoende had onderbouwd dat de kosten voor de regeling met 45% zouden stijgen. Ook de stelling dat het onthouden van instemming tot gevolg had dat werknemers nu geen vergoeding kregen voor thuiswerkmiddelen was volgens de rechter onvoldoende om het besluit van de OR onredelijk te maken.

Rechtbank Den Haag, 20 april 2023 (gepubliceerd op 22 juli 2026), ECLI (verkort): 22394