3.2 Suppletieaangiften en eindejaarsaangiften
te weinig afdragen
auto van de zaak
Op grond van artikel 10a Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 15 en 15a van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 moet een ondernemer een suppletieaangifte doen als hij constateert dat hij te weinig belasting heeft afgedragen. Maar ook in de aangifte over het laatste tijdvak moet de belastingplichtige bepaalde zaken meenemen. Denk aan de BTW-herziening van de vooraftrek voor bepaalde investeringen (zoals vastgoed) en de correctie voor privégebruik van de auto van de zaak. Deze aangiften vereisen dan ook bijzondere aandacht.
3.2.1 Cashflowtekort
uitgaande facturen
sloridgheid
In de praktijk is overigens niet alleen het opstellen van de BTW-aangifte voor de cliënt, maar ook het daadwerkelijk indienen daarvan een punt van aandacht. Soms kan de suppletieaangifte zelf al een reden zijn om een melding aan de FIU-Nederland te overwegen. Denk aan uitgaande facturen die eerder niet in de administratie bleken te zijn opgenomen, of de situatie waarin op eerdere aangiften te lage geschatte bedragen aan af te dragen BTW zijn vermeld. Het kan slordigheid zijn, maar het kan ook zo zijn dat de cliënt even tijdelijk een cashflowtekort had. Dat laatste kan reden zijn om een melding aan de FIU-Nederland te overwegen.
3.2.2 Aangiften tijdig indienen
schriftelijke herinnering
Als adviseur is het raadzaam om te controleren of aangiften die alleen worden voorbereid voor de cliënt ook daadwerkelijk door hem worden ingediend. Dat geldt in het bijzonder voor suppletie- en eindejaarsaangiften. Als de cliënt de belastingaangiften niet blijkt in te dienen, is dat een overleg met de cliënt en een schriftelijke herinnering waard. Dient de cliënt ook na herinnering de aangifte niet in, dan is dat ook een reden om een melding aan de FIU-Nederland te overwegen.
3.2.3 Signalen
jaarrekening
tegenprestatie
oude tijdvakken
In het recente verleden zijn strafzaken opgestart voor situaties waarin in de jaarrekening een BTW-schuld op de eindbalans stond, terwijl de Belastingdienst geen dienovereenkomstige eindejaars- of suppletie-aangiften had ontvangen. Als adviseur is dit iets om bedacht op te zijn omdat bij zo’n onderzoek automatisch ook de rol van de adviseur in beeld komt. Signalen om op te letten zijn:
- onverklaarbare verschillen tussen aangiften, jaarrekening en de administratie;
- suppletie- of eindejaarsaangiften worden niet (tijdig) ingediend;
- valse of onvolledige facturen en facturen zonder duidelijke tegenprestatie;
- grote contante betalingen of onlogische geldstromen;
- ontbrekende of niet-ingediende suppletieaangiften, ondanks geconstateerde correcties;
- suppleties met opvallend hoge bedragen of met correcties over oude tijdvakken;
- uitleg van cliënt dat afdracht tijdelijk is uitgesteld wegens liquiditeitsproblemen.