U bent hier

Onderneming & Personeel
Vergoedingen bij uitdiensttreding5. Billijke vergoeding5.4 Rechtspraak

5.4 Rechtspraak

Dit artikel is eerder verschenen als Themadossier HR Rendement
Publicatiedatum: mei 2025

criteria

De relevante criteria voor toewijzing en het bepalen van de billijke vergoeding zijn voornamelijk in de rechtspraak gevormd. Daarom volgt hieronder een selectie van belangrijke uitspraken en de meest in het oog springende lessen die je als werkgever hieruit kunt halen.

5.4.1 Gevolgen meewegen: New Hairstyle en Zinzia

straf

Volgens de Hoge Raad is de billijke vergoeding niet bedoeld als straf voor de werkgever, maar mogen de nadelige gevolgen voor de werknemer die voortvloeien uit de ernstig verwijtbare gedragingen van de werkgever wel degelijk meewegen in het vaststellen van de billijke vergoeding.

Het New Hairstyle-arrest

loon

In deze zaak (30 juni 2017, ECLI (verkort): 1187) had de werkgever het contract van een kapster ongeldig opgezegd. Ze werkte voor 4,5 uur per week en had een laag loon. Zowel de kantonrechter als het gerechtshof oordeelden dat de werkgever bestraft moest worden en kende aan de kapster een relatief hoge billijke vergoeding toe.

Verwijtbaar

meewegen

De werkgever voerde bij de Hoge Raad aan dat de billijke vergoeding niet bedoeld is om de werkgever te straffen. De Hoge Raad gaf de werkgever hierin gelijk, maar overwoog hierbij wel dat de gevolgen van een ontslag niet in alle gevallen volledig te compenseren zijn door de transitievergoeding. De gevolgen van het ontslag voor de werknemer die zijn toe te rekenen aan het verwijtbare gedrag van de werkgever, mag een rechter wel degelijk meewegen bij het vaststellen van de billijke vergoeding.

Zinzia

cassatieberoep

betrekken

De werkgever in de zaak Zinzia (8 juni 2018, ECLI (verkort): 878) klaagde bij de Hoge Raad dat het gerechtshof bij de vaststelling van de billijke vergoeding te weinig rekening had gehouden met het feit dat de werknemer ander werk had gevonden en hij nauwelijks materiële schade had geleden. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep. Het hof had hier voldoende mee rekening gehouden, maar stelde de billijke vergoeding op terechte gronden enerzijds vast als compensatie voor immateriële schade van de werknemer en anderzijds als middel om de werkgever te wijzen op de noodzaak om zijn gedrag in eventuele volgende gevallen aan te passen.

Billijke vergoeding in hoger beroep

herstellen

In de zaak Van der Wekke (8 juni 2018, ECLI (verkort): 857) had de werknemer cassatie ingesteld, omdat het gerechtshof bij een vernietiging van een eerdere contractontbinding het dienstverband niet had hersteld, maar ook geen billijke vergoeding had toegewezen. De werknemer vond dat het hof alleen had gekeken naar de waarde van de arbeidsovereenkomst, waarbij normaal gesproken wordt gekeken naar misgelopen inkomsten van de werknemer.

Terecht

verwijt­baarheid

Volgens de Hoge Raad moeten bij het recht op een billijke vergoeding ook andere omstandigheden van het geval, waaronder de verwijtbaarheid van de werkgever, worden betrokken. Het hof had geoordeeld dat de werknemer deze verwijtbaarheid onvoldoende had onderbouwd, zodat de billijke vergoeding terecht was afgewezen.

5.4.2 Billijke vergoeding bij Asscher-escape

arbeidsrelatie

voortzetting

De rechter kan een billijke vergoeding toewijzen als de werkgever onvoldoende grond heeft om een ontbinding wegens disfunctioneren toegekend te krijgen, maar de verhoudingen inmiddels zodanig ernstig zijn verstoord, dat hij het dienstverband op de g-grond (verstoorde arbeidsrelatie) beëindigt (de Asscher-escape). Dit speelde ook in de ServiceNow-zaak (30 november 2018, ECLI (verkort): 2218). De werknemer ging hierbij naar de Hoge Raad, omdat hij vond dat de misdragingen van de werkgever niet zouden mogen leiden tot een contractontbinding. De Hoge Raad overwoog dat als voortzetting van het dienstverband niet zinvol meer is, de rechter bevoegd is om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Zelfs als de werkgever de ontbinding ernstig te verwijten valt. Dat is de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever, aldus de Hoge Raad. De rechter mag de mate van verwijtbaarheid van de werkgever en de gevolgen van de ontbinding wel meenemen in de berekening van de billijke vergoeding.

Loon- en pensioenschade en duur dienstverband

In de Blue Circle-zaak (29 mei 2020, ECLI (verkort: 955) concludeerde de Hoge Raad dat loonschade en gemiste pensioenopbouw ook omstandigheden zijn die de rechter bij vaststelling van de billijke vergoeding moet betrekken. Ook bepaalde de Hoge Raad dat de duur van het dienstverband een gezichtspunt kan zijn en dat de rechter in de motivering van zijn oordeel alle omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de billijke vergoeding geleid hebben, uitdrukkelijk moet betrekken en benoemen.