7.3 De Wet VBAR
Als het aan de overheid ligt, komen er duidelijke wettelijke regels over de beoordeling van arbeidsrelaties. Dit moet het grijze gebied tussen werknemers en zzp’ers verkleinen. De overheid probeert al jaren schijnzelfstandigheid tegen te gaan. Eind 2022 kondigde het toenmalige kabinet een aantal maatregelen aan, waarna ook het conceptvoorstel van de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (WVBAR) gepubliceerd werd.
7.3.1 Kritiek op wetsvoorstel
regeldruk
wijzigingen
Het leidde tot veel kritiek. Het Adviescollege toetsing regeldruk stelde dat het voorstel niet zorgde voor meer duidelijkheid en eenvoud voor organisaties en zelfstandigen bij het beoordelen van arbeidsrelaties. Ook de Raad van State vond dat het wetsvoorstel de problematiek niet oploste en dus moest het kabinet meer duidelijkheid scheppen. Daarna heeft het wetsvoorstel verschillende wijzigingen ondergaan, zoals een aanpassing van het toetsingskader. In juli 2025 is het wetsvoorstel toegezonden aan de Tweede Kamer. Het is echter nog maar de vraag in hoeverre de WVBAR nog van de grond komt, want er is inmiddels een alternatief hiervoor gepresenteerd. Je leest hier verderop meer over.
7.3.2 Aangepast toetsingskader
rechts- vermoeden
In zijn huidige vorm introduceert het wetsvoorstel een zogeheten rechtsvermoeden. Dit houdt in dat bij een uurtarief van € 38 of minder (bedrag per 1 januari 2026) juridisch wordt ‘vermoed’ dat de zzp’er de arbeid verricht volgens een arbeidsovereenkomst. De werkgever kan proberen het rechtsvermoeden te weerleggen.
De tariefgrens wordt elk half jaar verhoogd met hetzelfde percentage als het minimumloon en wordt dan omhoog afgerond op hele euro’s.
Hoofdcriteria
sturing
Daarnaast geeft het wetsvoorstel een aangepast toetsingskader om te bepalen of iemand werknemer of zelfstandige is, mede op basis van het Deliveroo-arrest. In het wetsvoorstel zijn twee hoofdcriteria opgenomen voor wanneer er sprake is van ‘arbeid verrichten in dienst van een werkgever’:
- de arbeid wordt verricht onder werkinhoudelijke of organisatorische sturing door de werkgever; én
- de werknemer verricht de arbeid niet voor eigen rekening en risico (of hij verricht de arbeid in mindere mate voor eigen rekening en risico dan dat er sprake is van sturing door de werkgever).
Deze hoofdelementen worden verder ingekleurd met aanvullende indicaties in een aparte algemene maatregel van bestuur (AMvB).
Indicaties werknemerschap
aanwijzingen
controleren
structureel karakter
In de memorie van toelichting geeft het kabinet een aantal indicaties die in de AMvB zullen terugkomen. Als indicaties die wijzen op werken als werknemer noemt het kabinet:
- De werkgever is bevoegd om aanwijzingen en instructies te geven over de wijze waarop de werkende de werkzaamheden moet uitvoeren én de werkende moet die opvolgen.
- De werkgever heeft de mogelijkheid om de werkzaamheden van de werkende te controleren én is bevoegd om op basis daarvan in te grijpen.
- De werkzaamheden worden verricht binnen het organisatorisch kader van de organisatie van de werkgever.
- De werkzaamheden hebben een structureel karakter binnen de organisatie.
- De werkzaamheden worden zij aan zij verricht met werknemers die soortgelijke werkzaamheden verrichten.
Indicaties zelfstandigheid
specifieke opleiding
korte duur
ondernemerschap
Indicaties voor werken als zelfstandige, dus voor eigen rekening en risico, zijn:
- De financiële risico’s en resultaten van de werkzaamheden liggen bij de werkende.
- De werkende zorgt voor een herkenbare en zelfstandige uitvoering van de werkzaamheden.
- De werkende is in het bezit van een specifieke opleiding, werkervaring, kennis of vaardigheid die in de organisatie van de werkgevende niet structureel aanwezig is.
- Er is sprake van een korte duur van de opdracht en/of een beperkt aantal uren per week.
- Er is sprake van kenmerken die wijzen op ondernemerschap van de werkende voor soortgelijke werkzaamheden.
In de Uber-uitspraak benadrukte de Hoge Raad dat het gezichtspunt ondernemerschap net zo belangrijk is als de andere gezichtspunten. Sterker nog: het kan zelfs doorslaggevend zijn bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie (Hoge Raad, 21 februari 2025, ECLI (verkort): 319).
7.3.3 Alternatief voor de WVBAR
overgangsrecht
Voorlopig is de beoogde ingangsdatum van de WVBAR 1 juli 2026. Daarbij is er geen overgangsrecht. Het wetsvoorstel ligt op het moment van schrijven van dit themadossier nog bij de Tweede Kamer. Daarna moet de Eerste Kamer ook nog groen licht geven. Het is echter maar de vraag of de WVBAR in de huidige vorm van de grond komt. In april 2025 kwamen de VVD, D66, CDA en SGP namelijk met een alternatief voor de WVBAR: de Zelfstandigenwet.
Zelfstandigenwet
sectorale toets
Dit initiatiefwetsvoorstel komt onder andere met een toetsingskader met drie toetsen: de zelfstandigentoets, de werk- relatietoets en – als dat van toepassing is – de sectorale toets. Om te bepalen of iemand als zelfstandige ergens aan de slag kan, worden alle drie de toetsen doorlopen. Het definitieve wetsvoorstel moet nog langs de Tweede en Eerste Kamer. Een beoogde ingangsdatum is er ook nog niet, maar dit voorstel bevat wel overgangsrecht. Wil je de voortgang van dit plan bijhouden? Check dan regelmatig het overzicht van voorstellen voor wetten en regelingen op rendement.nl.
Combinatie
coalitieakkoord
De nieuwe (minderheids)coalitie wil de WVBAR en de Zelfstandigenwet gaan combineren. In het Coalitieakkoord 2026-2030 van D66, VVD en CDA dat op 30 januari 2026 is gepresenteerd, staat dat het rechtsvermoeden van werknemerschap uit de WVBAR wordt overgenomen (zie paragraaf 7.3.2) en dat de ‘rest’ van de WVBAR wordt vervangen door de Zelfstandigenwet.
Nieuwe EU-richtlijn voor platformwerkers
platform-werkers
bewijzen
Op 14 oktober 2024 heeft de Raad van de Europese Unie de Richtlijn Platformwerk (2024/2831) aangenomen. Deze richtlijn heeft als doel de arbeidsomstandigheden van platformwerkers te verbeteren. Ook transparantie rond het gebruik van algoritmes behoort tot de doelstellingen. Als er aanwijzingen zijn van gezag en leiding, wordt aangenomen dat er sprake is van een arbeidsrelatie. Het is dan aan het platform om te bewijzen dat dit niet zo is. EU-lidstaten moeten deze richtlijn uiterlijk op 2 december 2026 implementeren in hun nationale wetgeving. Tot die tijd wijzen de rechters nog steeds de weg. Hoe Nederland dit zal implementeren en of dit deels door de WVBAR zal gebeuren, is nog de vraag.