2.2 Belangrijke bevoegdheden van de OR
belangen
behartigen
Het is een kerntaak van de OR om de belangen te behartigen van zowel de achterban als de organisatie. De Wet op de ondernemingsraden geeft de medezeggenschap allerlei rechten en bevoegdheden om hier een goede invulling aan te geven. Door deze bevoegdheden te benutten, kun je optimaal invloed uitoefenen op het beleid en de belangen van zowel de achterban als de organisatie behartigen. Het is dan ook van belang dat je weet welke bevoegdheden jullie OR zoal heeft en hoe je die kunt toepassen in de praktijk.
2.2.1
Overlegrecht (artikel 23 en 24 WOR)
De OR heeft het recht om met de bestuurder te overleggen over ieder onderwerp dat de OR van belang vindt (artikelen 23 en 23a WOR). De algemene gang van zaken in de organisatie bespreken zij tijdens een bijzondere halfjaarlijkse overlegvergadering (artikel 24 WOR).
2.2.2
Initiatiefrecht (
artikel 23 WOR)
De OR mag de bestuurder ongevraagd adviseren over ieder onderwerp dat de organisatie aangaat. De OR kan de bestuurder mondeling adviseren tijdens een overlegvergadering (artikel 23, lid 2 WOR) of tussentijds bij de bestuurder een schriftelijk initiatiefvoorstel indienen (artikel 23, lid 3 WOR). Zo’n initiatiefvoorstel is niet vrijblijvend. De bestuurder moet het serieus in overweging nemen en de OR zo spoedig mogelijk laten weten wat hij met het voorstel gaat doen en waarom.
2.2.3
Adviesrecht (artikel 25 WOR)
onderbouwen
Bij veel belangrijke voorgenomen besluiten heeft de OR recht op een adviesaanvraag (artikel 25 WOR). De bestuurder moet de adviesaanvraag schriftelijk en tijdig bij de OR indienen, zodat de OR voldoende gelegenheid heeft om de adviesaanvraag te beoordelen en hierover een standpunt te bepalen. De bestuurder is niet verplicht om het advies van de OR over te nemen, maar hij vergroot wel het draagvlak als hij met de OR op één lijn zit. De bestuurder moet de OR zo spoedig mogelijk schriftelijk informeren in hoeverre hij het OR-advies overneemt. Neemt hij het OR-advies niet (geheel) over, dan moet hij dit besluit goed onderbouwen. Ook moet hij één maand wachten met de uitvoering van zijn besluit.
Beroepsrecht
in beroep
Als de OR het niet eens is met het besluit van de bestuurder of als er nadat de OR advies heeft uitgebracht feiten of omstandigheden bekend worden op basis waarvan de OR anders zou hebben geadviseerd, kan de OR binnen die maand in beroep bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (artikel 26 WOR). Dit beroepsrecht geldt alleen voor belangrijke besluiten die betrekking hebben op de onderwerpen die genoemd zijn in artikel 25, lid 1 WOR.
2.2.4
Instemmingsrecht (
artikel 27 WOR)
kantonrechter
De bestuurder kan veel personele regelingen pas invoeren, wijzigen of intrekken nadat de OR ermee heeft ingestemd. Het gaat hier onder meer om regelingen op het gebied van arbeidsomstandigheden, arbeidsvoorwaarden, het aanname- en ontslagbeleid of de regeling van het werkoverleg. De bestuurder moet een instemmingsverzoek schriftelijk indienen bij de OR. Daarbij moet hij aangeven wat de regeling inhoudt, waarom hij die wil invoeren, wijzigen of afschaffen en wat daarvan concreet de gevolgen zijn voor de werknemers. De bestuurder moet de OR in de gelegenheid stellen om de aanvraag te beoordelen, hierover te overleggen en eventueel advies in te winnen bij een adviseur (artikel 16 WOR). Als de OR niet instemt met het voorgenomen besluit van de bestuurder, kan de bestuurder de kantonrechter om vervangende toestemming vragen.
Overeenstemmingsrecht
Arbowet
zorgtaken
De bestuurder kan sommige besluiten alleen doorvoeren als hij hierover overeenstemming heeft bereikt met de OR. Dit overeenstemmingsrecht staat niet in de WOR, maar in andere wetten, zoals de Arbowet. Als de bestuurder geen overeenstemming bereikt met de OR, kan hij niet in beroep. Een ‘nee’ van de OR betekent dus definitief ‘nee’.
2.2.5 Bevorderende taken (
artikel 28 WOR)
inbreng
De OR heeft ook een aantal bevorderende taken (ook wel: zorgtaken) binnen de organisatie. Deze staan in artikel 28 WOR. Zo moet de OR onder meer stimuleren dat de regels voor de arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden worden nageleefd, dat werknemers voldoende inbreng hebben via het werkoverleg, dat werknemers gelijk worden behandeld, en dat de organisatie zorgdraagt voor het milieu.
2.2.6
Informatierecht (
artikel 31 WOR)
verstrekken
Volgens artikel 31 tot en met 31f WOR heeft de OR recht op alle informatie die de OR (of een OR-commissie) redelijkerwijs nodig heeft om zijn medezeggenschapstaken goed te kunnen uitvoeren. De bestuurder moet de OR bepaalde informatie zelf verstrekken, waaronder het financieel-economische beleid en het sociale beleid van de organisatie. Daarnaast kan de OR bij hem alle informatie opvragen die de leden nodig hebben om hun OR-werk goed te kunnen doen.
2.2.7 Algemene geschillenregeling (artikel 36 WOR)
bemiddeling
cao
Bij onenigheid met de bestuurder over de toepassing van de WOR, kun je in beroep bij de kantonrechter. Je kunt de zaak ook eerst ter bemiddeling voorleggen aan de bedrijfscommissie van de SER of een externe mediator. Dat is minder ingrijpend dan een gang naar de rechter. Bemiddeling door de bedrijfscommissie is kosteloos, een mediator niet. Daarnaast is de uitspraak van de rechter bindend en die van de bedrijfscommissie of mediator niet.
2.2.8 Inperking of uitbreiding van OR-bevoegdheden
Een cao, publiekrechtelijke arbeidsvoorwaardenovereenkomst of ondernemingsovereenkomst kan de bevoegdheden van de OR zowel inperken als uitbreiden (artikel 32 WOR). Sla ook deze documenten er dus altijd op na.
Beperk je niet alleen tot de inhoud van deze artikelen, maar besteed ook aandacht aan het proces van bijvoorbeeld het advies- en instemmingsrecht.