6.2 Voor- en nadelen scholingsbudget
zittingsperiode
convenant
Een scholingsbudget is een vooraf afgesproken geldbedrag dat jaarlijks of per zittingsperiode beschikbaar is voor de scholing van de OR-leden. Het budget kun je vaststellen in overleg met de bestuurder en bijvoorbeeld vastleggen in een convenant. Hoewel de WOR de scholingskosten al volledig bij de ondernemer legt, kunnen ondernemingsraden en bestuurders ervoor kiezen om via een scholingsbudget duidelijke en transparante afspraken te maken over de omvang van de scholingsuitgaven.
Ontoereikend
overschrijden
Is er een bepaald budget afgesproken om daaruit bepaalde kosten te financieren, dan moet je je daaraan houden. Maar wat als dit budget in de praktijk ontoereikend blijkt en de OR of commissie bij een gebudgetteerde kostenpost het budget wil overschrijden? In dat geval hoeft de bestuurder de kosten die boven het budget uitgaan alleen te betalen als hij daar vooraf zijn toestemming voor heeft gegeven (artikel 22, lid 4 WOR).
6.2.1 Voordelen van een scholingsbudget
houvast
Eén van de grootste voordelen van een scholingsbudget is de duidelijkheid voor beide partijen. Als van tevoren het beschikbare bedrag helder is, voorkomt dat discussie achteraf over de vraag of bepaalde kosten ‘redelijk’ zijn. Het geeft de OR ruimte om zelfstandig keuzes te maken over scholing, zonder bij elke aanvraag in discussie te hoeven treden over de kosten. Zeker voor grotere of langdurige scholingstrajecten geeft een budget houvast. Daarnaast kan het een efficiënte manier zijn om de scholing te plannen. De OR weet wat het budget is en kan de beschikbare middelen over het jaar verdelen. Ook kan de bestuurder – als er sprake is van meerdere medezeggenschapsorganen – gemakkelijker de totale scholingskosten binnen de organisatie in beeld houden.
6.2.2 Nadelen en aandachtspunten
inperken
vergoeden
Een belangrijke voorwaarde van het vaststellen van een scholingsbudget is dat het de wettelijke rechten van de OR niet mag inperken. Het risico bestaat dat een vast budget wordt gezien als een plafond, terwijl de WOR juist uitgaat van een functionele benadering: de OR heeft recht op de scholing die nodig is om goed te functioneren. Als die scholing duurder uitvalt dan het afgesproken budget, blijft de bestuurder in principe toch verplicht om die kosten te vergoeden.
Veranderingen
ingrijpend
Een ander aandachtspunt is dat een vastgesteld budget mogelijk onvoldoende rekening houdt met verschillen in scholingsbehoefte. Een nieuw samengestelde OR zal bijvoorbeeld meer scholing nodig hebben dan een ervaren raad. Ook als er in de organisatie grote veranderingen aankomen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de achterban, zoals een fusie of reorganisatie, kan de OR behoefte hebben aan extra scholing. Want de OR moet hierover als een gelijkwaardige gesprekspartner met de bestuurder kunnen overleggen. Dan kan bijvoorbeeld een scholing over de ‘overgang van onderneming’ (bij een fusie) een goede investering zijn.
Het is verstandig om periodiek te evalueren of het scholingsbudget nog aansluit bij de praktijk en het budget, zo nodig, bij te stellen.
6.2.3 Richtbedragen van de SER
niet bindend
leden
invulling
In hoofdstuk 5 heb je kunnen lezen over de richtbedragen van de SER, die als uitgangspunt kunnen dienen bij het bepalen van een passend scholingsbudget. Deze richtbedragen zijn niet bindend, maar geven wel een goed beeld van wat maatschappelijk als redelijke kosten wordt beschouwd. Zo adviseert de SER bijvoorbeeld om per OR-lid uit te gaan van zo’n € 1.500 tot € 2.500 per jaar, afhankelijk van de branche, de grootte van de organisatie en de complexiteit van het medezeggenschapswerk. Deze bedragen kunnen de OR en bestuurder helpen bij het maken van reële afspraken. De richtbedragen gelden voor leden van een OR, een centrale-, groeps- en gemeenschappelijke ondernemingsraad en ook voor leden van commissies van deze raden. Een richtbedrag geldt niet voor leden van een PVT. Een scholingsbudget kan dus bijdragen aan een goede samenwerking tussen OR en bestuurder en aan een professionele invulling van de medezeggenschap. Belangrijk is wel dat beide partijen blijven beseffen dat het budget een hulpmiddel is, geen begrenzing van het wettelijk recht op adequate scholing.