1.3 Wat zijn regels en richtlijnen?
wetgeving
De WOR biedt ondernemingsraden gelukkig een stevig fundament om hun werk goed uit te voeren. Een belangrijk onderdeel hiervan is het recht op scholing. Want OR-leden hebben een brede en complexe taak, waarbij kennis van wetgeving, organisatiebeleid en actuele onderwerpen noodzakelijk is. Daarom heeft ieder OR-lid recht op scholing, zodat zij hun rol effectief kunnen vervullen.
Scholingsdagen
OR-commissie
Volgens artikel 18 WOR heeft elk OR-lid recht op minimaal vijf scholingsdagen per jaar. Leden van OR-commissies hebben recht op minimaal drie scholingsdagen. Een OR-lid dat ook in een OR-commissie zit, heeft dus elk jaar recht op minimaal acht scholingsdagen. De scholing moet zo veel mogelijk plaatsvinden onder werktijd en met behoud van loon. Dit betekent dat de bestuurder de tijd en kosten van de scholing moet vergoeden, inclusief eventuele cursuskosten en de uren dat een OR-lid niet aan het werk is.
De PVT heeft ook recht op scholing, maar er is geen wettelijk minimum aan scholingsdagen voor de PVT. Hierover moeten de PVT en bestuurder zelf afspraken maken.
Scholingskeuze
bezwaar
kantonrechter
De OR heeft het recht om scholing te volgen voor zover dit redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de OR-taken. De OR mag zelf bepalen welke scholing de raad nodig heeft, maar moet wel met de bestuurder afspreken hoeveel scholing de OR en individuele leden gaan volgen, rekening houdend met het wettelijk minimum. Soms maakt een bestuurder bezwaar tegen de scholing, bijvoorbeeld vanwege de kosten of bezetting op de werkvloer. Ontstaat er een geschil over scholing (artikel 18, lid 2 en 3 WOR) of de kosten daarvan (artikel 22, lid 3 en 4 WOR), dan kunnen de OR en de bestuurder dit, al dan niet gezamenlijk, voorleggen aan de daarvoor bestemde scholingskamer van de bedrijfscommissie. Ook heeft de OR de mogelijkheid om de zaak voor te leggen aan de kantonrechter (artikel 36, lid 2 WOR).